AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toewijzing verzoek afkoelingsperiode in besloten akkoordprocedure van [bedrijf01] B.V.
Verzoekster, [bedrijf01] B.V., heeft een besloten akkoordprocedure buiten faillissement gestart en verzocht om een afkoelingsperiode van vier maanden op grond van artikel 376 FaillissementswetPro. De rechtbank heeft het verzoek behandeld en vastgesteld dat verzoekster zich in een toestand bevindt waarbij herstructurering noodzakelijk is om haar schulden te kunnen voldoen.
De onderneming heeft sinds 2019 te maken met problemen in haar teeltactiviteiten, wat heeft geleid tot een zware schuldenlast. Na het wegvallen van de afzetmarkt richt zij zich weer op groothandelsactiviteiten, met een licht herstel in 2022. Ondanks pogingen tot verkoop van specialistische inventaris en onderhandelingen met schuldeisers, heeft een schuldeiser faillissementsaanvraag ingediend, waardoor afkoeling noodzakelijk is.
De rechtbank oordeelt dat de afkoelingsperiode noodzakelijk is om de onderneming voort te zetten en een akkoord aan te bieden dat voor schuldeisers gunstiger is dan faillissement. Verzoekster kan haar lopende verplichtingen voldoen en heeft toegezegd binnen twee maanden een akkoord aan te bieden. De rechtbank stelt de afkoelingsperiode vast op drie maanden en legt verplichtingen op tot het aanleveren van een taxatierapport en voortgangsrapportage.
De beschikking is gegeven door mr. F. Damsteegt, voorzitter, mr. A.E. de Vos en mr. A.C.M. Höppener, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2023.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode van drie maanden toe aan [bedrijf01] B.V.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies – meervoudige kamer
afkondigen afkoelingsperiode
zaak/rekestnummer: FT-RK 23/[000]
uitspraakdatum: 29 september 2023
beschikking op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 376 FaillissementswetPro(Fw) in de besloten akkoordprocedure betreffende:
de besloten vennootschap
[bedrijf01] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats01] ,
verzoekster,
advocaat: mr. J.S.K. Joustra, kantoorhoudende te Leiden.
1.De procedure
1.1.
Verzoekster heeft op 18 september 2023 een startverklaring ex artikel 370 lid 3 FwPro ter griffie gedeponeerd en heeft daarbij gekozen voor een besloten akkoordprocedure buiten faillissement.
1.2.
Verzoekster heeft op 19 september 2023 ter griffie een verzoekschrift, met negen bijlagen, ingediend tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 FwPro voor een periode van vier maanden.
1.3.
Verzoekster heeft bij e-mail van 22 september 2023 desgevraagd een liquiditeitsprognose inzake het vierde kwartaal van 2023 en januari 2024 overgelegd.
1.4.
[bedrijf02] B.V. (hierna: [bedrijf02] ) is in het verzoekschrift als een van de belanghebbenden aangeduid. Aangezien zij een rekest tot faillietverklaring heeft ingediend, heeft de rechtbank haar advocaat mr. J.M.J. Kosman ex artikel 376 lid 12 FwPro in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Van die gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.
1.5.
Het verzoek is op 22 september 2023 in raadkamer behandeld en nader toegelicht. Daarbij zijn ,door middel van een video-verbinding, gehoord:
[naam01] en [naam02] , indirect bestuurders van verzoekster;
mr. Joustra, advocaat van verzoekster;
[naam03] , adviseur van verzoekster.
1.6.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2.Het verzoek
2.1.
Verzoekster heeft een verzoek gedaan tot het afkondigen van een afkoelingsperiode ex artikel 376 FwPro voor de duur van vier maanden. Zij heeft toegezegd toe dat zij binnen een termijn van ten hoogste twee maanden een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 FwPro zal aanbieden.
Verzoekster heeft tot 2019 een onderneming gedreven die zich uitsluitend toelegde op de groothandel in [product01] en [product02]. Op verzoek van een grote producent van
[artikelen] heeft zij in 2019 de faciliteit opgezet voor het telen van [product01]. Door de machinale oogst raakten de [product01] echter licht gekwetst. Aangezien de [product01] ook in [onderdelen] werden gesneden, was dat voor de afnemer geen probleem.
Medio 2020 bleek een geleverde partij een te hoge concentratie [X]-bacteriën te bevatten,
wat een acuut gevaar voor de [Y]veiligheid opleverde. Daarop heeft de afnemer de overeenkomst met verzoekster ontbonden.
Vanwege de beschadigingen van de [product01] waren deze slechts geschikt om gesneden tot [onderdelen] te worden verhandeld. Ondanks lang zoeken bleek verzoekster geen (duurzame) afzetmarkt te kunnen vinden voor de groothandel of consumentenmarkt. Zij kon niet langer meer telen, waardoor zij evenmin haar investeringen kon terugverdienen. Waar 2020 nog een bescheiden positief bedrijfsresultaat werd behaald, viel dit in 2021 en 2022 negatief uit.
Sinds het wegvallen van de afzet voor de teelt heeft verzoekster zich weer volledig toegelegd op de groothandelsactiviteiten. Als groothandelaar kan zij een gezonde onderneming drijven. De resultaten over 2022 laten al een licht herstel zien. De schuldenlast die ontstaan is als gevolg van de investering voor de teeltactiviteiten drukt zwaar op verzoekster. Zij heeft geprobeerd kopers te vinden voor de inventaris die aan de teelt is gerelateerd, wat tot op heden nog niet is gelukt. Het betreft zeer specialistische apparatuur, waarvoor geen grote markt bestaat.
Tegelijkertijd heeft verzoekster in augustus en september 2023 geprobeerd met haar schuldeisers tot een akkoord te komen. Zij heeft hen hiertoe op 25 augustus 2023 aangeschreven. De insteek van het akkoord is dat de aandeelhouders van verzoekster bereid zijn hun bestaande vorderingen op verzoekster om te zetten in eigen vermogen (agio) en om middelen in te brengen. Desalniettemin heeft [bedrijf02] een faillissementsverzoek ingediend.
Het wordt verzoekster hiermee onmogelijk gemaakt een akkoord aan te bieden om verdere schade te beperken.
De roerende zaken in eigendom van verzoekster betreffen uitsluitend inventarisgoederen.
De debiteurenstand bedraagt nominaal € 45.803,91 en is, voor zover bekend, incasseerbaar.
In geval van faillissement zullen alle schuldeisers in een slechtere positie komen te verkeren, omdat de inkomsten uit de groothandel stil komen te liggen en een curator aangesteld zal worden. De kosten die hiermee gemoeid zijn, terwijl de activa niet in omvang zullen toenemen, maken dat een faillissement per definitie een slechtere situatie oplevert dan als de activiteiten van verzoekster worden voortgezet.
3.Het standpunt van [bedrijf02]
3.1.
is als aanvrager van het faillissement belanghebbende, maar heeft geen zienswijze ingediend. De rechtbank is dus niet bekend met haar standpunt omtrent het onderhavige verzoek.
4.De beoordeling
Rechtsmacht en bevoegdheid
4.1.
Het verzoek is een verzoek op basis van de tweede afdeling van titel IV van de Faillissementswet (Homologatie van een onderhands akkoord, artikel 369 e.v. Fw).
4.2.
De rechtbank stelt vast dat het verzoek een afkoelingsperiode af te kondigen het eerste verzoek is in deze procedure. Dit betekent dat de rechtbank moet vaststellen voor welk soort procedure, zoals bedoeld in artikel 369 lid 6 FwPro, is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of aan haar rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen.
4.3.
Verzoekster heeft blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure.
Zij is statutair gevestigd in [vestigingsplaats01] en houdt daar ook kantoor. Gezien het bepaalde in artikel
369 lid 7 aanhefPro en onder b Fw juncto artikel 3 vanPro het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in
behandeling te nemen. Uit artikel 262 RvPro volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het
verzoek kennis te nemen.
Afkoelingsperiode
4.4.
Het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode moet verband houden met een
(voorgenomen) akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 FwPro. Het aanbieden van een dergelijk
akkoord staat open voor een schuldenaar die verkeert in een toestand waarin redelijkerwijs
aannemelijk is dat hij met het betalen van zijn schuldeisers niet zal kunnen voortgaan. Het gaat
hier om een toestand waar de schuldenaar nog niet is opgehouden te betalen, maar waarbij hij
voorziet dat er geen realistisch perspectief bestaat om een toekomstige insolventie af te wenden,
áls zijn schulden niet worden geherstructureerd (MvT, Kamerstukken II 2018/19, 35249, 3, p.
33).
Gezien de schuldenpositie van verzoekster (zoals vermeld in bijlage 5 bij het verzoekschrift), is
aannemelijk dat zij zonder herstructurering niet met het betalen van haar schulden zal kunnen
voortgaan. Verzoekster heeft, middels het verzoekschrift met bijlagen, de nagezonden
liquiditeitsbegroting en de toelichting in raadkamer, voldoende gemotiveerd toegelicht dat op
basis van de verwachte omzet in het vierde kwartaal van 2023 en de door te voeren verlaging
van de vaste lasten, de lopende verplichtingen voldaan kunnen worden. Op basis hiervan
oordeelt de rechtbank dat verzoekster op dit moment behoort tot de categorie van
ondernemingen waar het traject zoals opgenomen in de tweede afdeling van titel IV van de Fw
(Homologatie van een onderhands akkoord, artikel 369 e.v. Fw) voor open staat.
4.5.
Voorts is vereist dat ofwel een akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 FwPro is aangeboden ofwel
wordt toegezegd dat dit binnen twee maanden zal gebeuren. Verzoekster heeft haar schuldeisers
al aangeschreven en bericht dat zij een akkoord wil aanbieden. Verzoekster heeft toegezegd een
akkoord binnen de termijn van twee maanden te zullen aanbieden, zodat ook aan dit vereiste is
voldaan.
Noodzakelijkheid en belang schuldeisers
4.6.
Uit artikel 376 lid 4 FwPro volgt dat een verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode zal
worden toegewezen indien summierlijk blijkt dat (i) een afkoelingsperiode noodzakelijk is om
de door schuldenaar gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van en de
onderhandelingen over een akkoord te kunnen blijven voortzetten, dat (ii) redelijkerwijs valt
aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en dat (iii)
de in artikel 376 lid 2 FwPro bedoelde derden, beslagleggers en schuldeiser die het faillissement
heeft ingediend, niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.
4.7.
De noodzaak van het afkondigen van een afkoelingsperiode voor het kunnen voortzetten van de
onderneming tijdens de voorbereiding van en de onderhandelingen over het akkoord is
summierlijk gebleken uit het feit dat een van de schuldeisers al het faillissement van verzoekster
had aangevraagd. Het risico op een faillissement indien geen afkoelingsperiode wordt
afgekondigd is hiermee reëel.
4.8.
Voorts valt redelijkerwijs aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers
worden gediend met afkondiging van een afkoelingsperiode. Op die manier wordt verzoekster
immers de ruimte geboden om aan haar schuldeisers een akkoord aan te bieden waarvan op dit
moment kan worden aangenomen dat het voor hen een beter resultaat oplevert dan het
alternatief van het faillissement. De bedoeling is immers dat voor het akkoord, naast de
verkoopopbrengst van de inventaris en machines, eigen vermogen wordt ingebracht. Voor zover
nu kan worden overzien worden eventuele derden door een afkoelingsperiode niet wezenlijk in
hun belangen geschaad.
Voldoen van de lopende verplichtingen
4.9.
Verzoekster heeft verklaard en met stukken onderbouwd dat zij haar lopende verplichtingen kan voldoen gedurende de afkoelingsperiode.
Termijn van afkoeling
4.1
Verzoekster heeft gevraagd om de afkoelingsperiode te bepalen op vier maanden.
Tijdens de behandeling van het verzoek is gebleken dat verzoekster druk bezig is
een koper te vinden voor haar inventaris en machines. Verzoekster heeft enkele biedingen
ontvangen voor deze activa, maar vindt het geboden bedrag te laag. Gelet op de toezegging om
binnen twee maanden een akkoord aan te bieden is het van belang dat op korte termijn
duidelijk wordt wat een reëel te verwachten opbrengst is van deze activa.
Nu een objectief waarderingsrapport van de activa ontbreekt, acht de rechtbank het wenselijk
dat verzoekster een dergelijk rapport laat opstellen, zodat voor iedereen duidelijk is wat de
geschatte waarde van de te verkopen activa is. Verzoekster heeft toegezegd een taxatie te zullen
laten verrichten. De rechtbank zal verzoekster daarvoor een termijn gunnen van één maand, dus
tot 1 november 2023.
4.11.
Gelet op de verkoopinspanningen en het aan te leveren taxatierapport, alsmede de
toegezegde termijn voor het aanbieden van het akkoord, ziet de rechtbank aanleiding een
afkoelingsperiode van drie maanden te gelasten en daarbij te bepalen dat verzoekster binnen
één maand de onder 4.12. vermelde informatie aanlevert.
Informatie over de voortgang
4.12.
De rechtbank acht redenen aanwezig om te bepalen dat verzoekster de rechtbank uiterlijk
1 november 2023 bij akte informeert over de voortgang van de akkoordprocedure. Dit moet gebeuren door middel van een schriftelijk verslag waaruit blijkt welke verkoopinspanningen inzake de machines en inventaris verzoekster heeft gedaan en tot welk resultaat dit heeft geleid. Bij het verslag moet een taxatierapport, als bedoeld in 4.10 van de te verkopen activa worden gevoegd. Tot slot moet verzoekster een bijgewerkt liquiditeitsoverzicht over het vierde kwartaal 2023 en januari 2024 bijvoegen waarin de bedragen van de daadwerkelijke inkomsten en uitgaven over oktober 2023 zijn verwerkt, alsmede de geprognosticeerde bedragen inzake november en december 2023 en januari 2024. De rechtbank merkt hierbij op dat zij ingevolge artikel 376 lid 11 FwPro de afkoelingsperiode ambtshalve kan opheffen als niet langer wordt voldaan aan de vereisten van artikel 376 lid 1 enPro 4 Fw.
5.De beslissing
De rechtbank:
- kondigt een afkoelingsperiode af zoals bedoeld in artikel 376 FwPro voor een periode van drie maanden ,ingaande op 29 september 2023, die inhoudt:
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van verzoekster behoren of tot opeising van goederen die zich in haar macht bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden; en
- dat de behandeling van een door een schuldeiser jegens verzoekster ingediend verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst dan wel geschorst blijft;
- bepaalt dat verzoekster in de gelegenheid wordt gesteld uiterlijk op 1 november 2023een akte te nemen over hetgeen is vermeld onder punt 4.12.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Damsteegt, voorzitter, mr. A.E. de Vos en mr. A.C.M. Höppener, rechters, en in aanwezigheid van R. Becker, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 september 2023.
Bij ontstentenis van de voorzitter: getekend door mr. A.C.M. Höppener