Verzoekster, van Marokkaanse nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling, omdat Oostenrijk verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening samen met een gerelateerde zaak op 18 september 2023. Verzoekster en haar gemachtigde waren ondanks voorafgaande kennisgeving niet aanwezig, terwijl de gemachtigde van de verweerder wel aanwezig was. De rechtbank sloot het onderzoek ter zitting.
Bij uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL23.19987) op dezelfde dag werd het beroep behandeld, waardoor de voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk was. Om die reden werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en staat geen hoger beroep of verzet tegen open.