ECLI:NL:RBDHA:2023:1497

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 februari 2023
Publicatiedatum
10 februari 2023
Zaaknummer
C/09/642404 / JE RK 23-257
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 1:265b BWArt. 800 lid 3 RvArt. 808 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige kinderen

De zaak betreft een verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van vijf minderjarige kinderen, die tot kort voor de zitting in Turkije verbleven. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag, hoewel de juridische band met vier kinderen niet volledig is vastgesteld. De kinderen zijn op 8 februari 2023 met hun moeder naar Nederland gekomen, waar de moeder en vader beiden in detentie zijn.

De kinderrechter beoordeelt de bevoegdheid op grond van het Haags Kinderbeschermingsverdrag en stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is vanwege het spoedeisende karakter en het feit dat de kinderen zich op Nederlands grondgebied bevinden. De kinderrechter past Nederlands recht toe.

Op basis van ernstige en acute zorgen over het welzijn en de gezondheid van de kinderen, waaronder mogelijke traumatische ervaringen en medische zorgen bij één kind, wordt het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing gehonoreerd. De kinderen worden geplaatst in een gezinsgerichte voorziening, met uitzondering van één kind die eerst in het ziekenhuis wordt opgenomen.

De beslissing wordt zonder voorafgaand horen van de ouders genomen vanwege het onmiddellijke en ernstige gevaar voor de kinderen. De voorlopige ondertoezichtstelling geldt tot 20 februari 2023, waarna de zaak wordt voortgezet op een zitting op 21 februari 2023.

Uitkomst: De kinderrechter stelt vijf minderjarige kinderen voorlopig onder toezicht en machtigt hun uithuisplaatsing wegens ernstig en onmiddellijk gevaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/642404 / JE RK 23-257
Datum uitspraak: 8 februari 2023

Beschikking van de kinderrechter

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing; spoedvoorziening

in de zaak naar aanleiding van het op 8 februari 2023 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden,

hierna te noemen: de Raad,
betreffende de minderjarigen:
  • [minderjarige01], geboren op [geboortedatum01] 2012 te [geboorteplaats01] ,
  • [minderjarige02], voor zover bekend geboren op [geboortedatum02] 2015 in Turkije,
  • [minderjarige03], voor zover bekend geboren op [geboortedatum02] 2015 in Turkije,
  • [minderjarige04], voor zover bekend geboren op [geboortedatum03] 2018 in Turkije,
  • [minderjarige05], voor zover bekend geboren op [geboortedatum04] 2020 in Turkije,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw01] ,hierna te noemen de moeder,BRP-geregistreerd als geëmigreerd,voorheen verblijvende in Turkije,

[de man01] ,hierna te noemen: de vader,BRP-geregistreerd als geëmigreerd,verblijvende in de Penitentiaire Inrichting in [verblijfplaats01] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de aanvullende informatie, telefonisch verkregen van [naam01] op 8 februari 2023.

Feiten

De kinderrechter gaat op basis van de beschikbare informatie van de Raad op dit moment uit van het volgende:
  • De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd op 8 december 2009 in [plaats01] .
  • De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
  • De moeder en de minderjarigen verbleven tot 8 februari 2023 in Turkije.
  • In de avond van 8 februari 2023 zijn de moeder en de minderjarigen met het vliegtuig in Nederland aangekomen.

Verzoek

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige01] , [minderjarige02] , [minderjarige03] , [minderjarige04] en [minderjarige05] – met toepassing van artikel 1:257 van Pro het Burgerlijk Wetboek – en tot het verlenen van een machtiging om de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Voor [minderjarige01] , [minderjarige03] , [minderjarige04] en [minderjarige05] wordt verzocht een machtiging te verlenen voor een uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening. Voor [minderjarige02] wordt verzocht een (traject)machtiging te verlenen voor een plaatsing in het ziekenhuis en aansluitend in een gezinsgerichte voorziening.
Het verzoek strekt ook tot toepassing van het bepaalde in artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat betekent dat wordt verzocht de maatregelen te verlenen zonder de belanghebbenden – de ouders – de gelegenheid te geven daarover te worden gehoord, vanwege onmiddellijk en ernstig gevaar voor de minderjarigen.

Beoordeling

Bevoegdheid en toepasselijk recht
Omdat de verblijfplaats van de moeder en de kinderen tot 8 februari 2023 feitelijk buiten Nederland was gelegen, draagt deze zaak een internationaal karakter en zal moeten worden vastgesteld of de Nederlandse rechter bevoegd is een beslissing te nemen over de verzochte kinderbeschermingsmaatregelen. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter dient in dit geval beoordeeld te worden volgens de regels van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 [1] (hierna: HKV), omdat de gewone verblijfplaats van de kinderen is gelegen in een verdragsluitende staat buiten de Europese Unie (Turkije). Gelet op de spoedeisendheid, het voorlopige karakter van de verzochte maatregelen en het gegeven dat de kinderen zich nu op Nederlands grondgebied bevinden, kan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden aangenomen op grond van artikel 11 HKV Pro. Dat artikel bepaalt dat in spoedeisende gevallen de autoriteiten van het land op welk grondgebied het kind zich feitelijk bevindt, bevoegd is om alle noodzakelijke beschermende maatregelen te nemen. Uit artikel 15 HKV Pro volgt dat de bevoegde rechter zijn interne recht toepast. Daarom wordt Nederlands recht toegepast.
Nu op grond van de artikelen 262-268 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen bevoegde rechter in Nederland wordt aangewezen, is de rechter in Den Haag bevoegd om kennis te nemen van het verzoek op grond van artikel 269 Rv Pro. Zaken die over minderjarigen gaan worden behandeld door de kinderrechter, zo volgt uit artikel 808 Rv Pro.
Inhoudelijke beoordeling
Aan de kinderrechter is verzocht om kinderbeschermingsmaatregelen uit te spreken die het ouderlijk gezag beperken. Om die reden is het van belang te weten wie het ouderlijk gezag over de kinderen draagt. Op dit moment is het, behalve ten aanzien van [minderjarige01] , niet met zekerheid vast te stellen dat er een juridische band bestaat tussen [minderjarige02] , [minderjarige03] , [minderjarige04] , [minderjarige05] en de ouders, omdat er geen geboorteakten of andere papieren voorhanden zijn. De Raad gaat er op basis van hun onderzoek, voor zover dat mogelijk was, op dit moment vanuit dat deze kinderen binnen het huwelijk van de ouders geboren zijn. De kinderrechter stelt ook vast dat er op dit moment geen redenen of indicaties zijn om aan te nemen dat dit niet het geval is. Er vanuit gaande dat de kinderen staande het huwelijk van de ouders zijn geboren (in Turkije volgens de moeder) en hun gewone verblijfplaats in Turkije is gelegen, oefenen de ouders naar Turks recht van rechtswege gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. Ten aanzien van [minderjarige01] is naar Nederlands recht van rechtswege het gezamenlijke gezag ontstaan. Gelet op het bepaalde in artikel 16, derde lid, HKV gaat de kinderrechter ervan uit dat dit niet is gewijzigd.
Gelet op het voorgaande gaat de kinderrechter er thans vanuit dat de vader en de moeder gezamenlijk het ouderlijk gezag over alle kinderen uitoefenen en dat hun gezag kan worden beperkt door de kinderbeschermingsmaatregelen.
Op grond van de beschikbare informatie komt de kinderrechter tot het oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen en in het belang van hun verzorging en opvoeding uit huis te plaatsen. Aan de gronden zoals bedoeld in de artikelen 1:257 jo. 1:255 en 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek is naar het oordeel van de kinderrechter voldaan.
De kinderrechter is ook van oordeel dat het horen van de belanghebbenden niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen, zoals bedoeld in artikel 800, derde lid, Rv. De volgende redenen liggen daaraan ten grondslag. Er zijn ernstige en acute zorgen over het welzijn en de gezondheid van de kinderen omdat zij – voor zover bekend – de afgelopen jaren zijn opgegroeid onder slechte omstandigheden en mogelijk traumatische gebeurtenissen hebben meegemaakt. Ten aanzien van [minderjarige02] zijn er bijkomende ernstige zorgen over haar medische gezondheid. Daarbij zijn beide ouders feitelijk niet in staat voor de kinderen te zorgen. De moeder is bij aankomst in Nederland aangehouden en in detentie geplaatst. Ook de vader verblijft in detentie. De kinderrechter acht het evenals de Raad van belang dat de kinderen eerst op een observatieplek verblijven, en [minderjarige02] in het ziekenhuis, zodat kan worden gekeken hoe het met hen gaat en wat er nodig is. De kinderen kunnen samen in een gezinshuis verblijven dat ervaring heeft met het opvangen van kinderen die uit de zelfde situatie komen.
Het verhoor zal plaatsvinden op de hierna te noemen zitting. Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
stelt [minderjarige01] , [minderjarige02] , [minderjarige03] , [minderjarige04] en [minderjarige05] van 8 februari 2023 tot
20 februari 2023 voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
machtigt Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden om
[minderjarige01] , [minderjarige03] , [minderjarige04] en [minderjarige05]gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
machtigt Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden om
[minderjarige02]gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een ziekenhuis en aansluitend in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van:
21 februari 2023 om 10:45 uur;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
  • de Raad voor de Kinderbescherming;
  • Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
  • de vader, [de man02] (p/a Penitentiaire Inrichting in [verblijfplaats01] )
  • de moeder, [de vrouw02] (p/a Penitentiaire Inrichting in [verblijfplaats02] ).
Deze beschikking is op 8 februari 2023 mondeling en buiten kantooruren gegeven door
mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter. De schriftelijke uitwerking van de beschikking is vastgesteld op 9 februari 2023.
Voor zover deze beschikking betrekking heeft op de machtiging tot uithuisplaatsing, kan hoger beroep worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.

Voetnoten

1.Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen.