ECLI:NL:RBDHA:2023:14994

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 oktober 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
NL23.23586
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De staatssecretaris baseerde dit besluit op de Dublin-verordening, waarbij Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat werd aangewezen.

De rechtbank heeft ambtshalve onderzocht of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Uit meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers bleek dat eiser op 31 augustus 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan dat hij recent contact had met eiser en dat eiser op de hoogte was van de procedure, maar kon niet aangeven waar eiser zich bevindt.

De rechtbank overweegt dat als een vreemdeling vertrekt zonder zijn verblijfplaats bekend te maken, dit in principe betekent dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Aangezien de gemachtigde geen concrete gegevens kon verstrekken over het verblijf of contact, concludeert de rechtbank dat eiser geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.23586

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam]

geboren op [geboortedatum]
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
hierna te noemen: eiser
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 14 augustus 2023 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
De staatssecretaris heeft op 7 september 2023 stukken ingediend. De gemachtigde van eiser heeft hier desgevraagd op gereageerd op 28 september 2023.
1.3.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank beantwoordt allereerst ambtshalve de vraag of eiser procesbelang heeft bij het beroep. De staatssecretaris heeft op 7 september 2023 meegedeeld dat eiser volgens meldingen van de vreemdelingenpolitie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers op 31 augustus 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 28 september 2023 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld twee weken daarvoor contact te hebben gehad met eiser, dat eiser op de hoogte is van de zitting en de opdracht niet heeft ingetrokken.
2.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. [1] Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit houdt in dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
2.2.
Gezien de hiervoor genoemde omstandigheden en gezien de informatie van de gemachtigde van eiser neemt de rechtbank aan dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij geen prijs meer stelt op de door zijn aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank acht daarbij van belang dat de gemachtigde niet heeft laten weten op welke wijze er contact is geweest of waar eiser zich (in Nederland) bevindt. Eiser heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
3. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.