ECLI:NL:RBDHA:2023:1503

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 februari 2023
Publicatiedatum
12 februari 2023
Zaaknummer
NL22.12327, NL22.12328
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 1 VwArt. 8:7 lid 4 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 AwbRichtlijn 2004/38/EG
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende bewijs duurzame relatie

Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 9, lid 1 van de Vreemdelingenwet 2000, afgeleid van zijn relatie met een partner met Poolse en Duitse nationaliteit. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser en zijn partner onvoldoende hebben bewezen dat zij een duurzame en exclusieve relatie onderhouden. De rechtbank bevestigt dat eiser en zijn partner tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over essentiële aspecten van hun relatie, zoals de eerste ontmoeting, het huwelijksaanzoek en het dagelijks leven, waardoor de relatie niet als duurzaam kan worden aangemerkt.

Eiser stelde dat er meer overeenkomsten dan tegenstrijdigheden waren in hun verklaringen en dat verweerder ten onrechte van horen in bezwaar had afgezien. De rechtbank oordeelt dat de tegenstrijdigheden op essentiële punten doorslaggevend zijn en dat de verduidelijkingen tijdens de hoorzitting de twijfel over de geloofwaardigheid niet wegnemen. Ook is de hoorplicht niet geschonden omdat eiser en zijn partner reeds uitgebreid zijn gehoord in de aanvraagfase.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit. Er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter M. van Nooijen en griffier M.J.J. Roks op 8 februari 2023.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.12327 (beroep) en NL22.12328 (voorlopige voorziening).

uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: drs. M.F. Aly).

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 9, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw), afgewezen.
Bij besluit van 23 juni 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 31 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en de tolk Z. Hamidi. Ook referente is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1986 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser stelt een afgeleid EU-verblijfsrecht te hebben vanwege zijn gestelde partner, mevrouw [A] (referente), die zowel de Poolse als de Duitse nationaliteit heeft.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet deugdelijk heeft bewezen dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en referente. Volgens verweerder zijn eiser en referente enkel een relatie met elkaar aangegaan ter verkrijging van het recht van vrij verkeer en verblijf, zoals neergelegd in de Verblijfsrichtlijn [1] . Eiser en referente hebben namelijk tijdens de hoorzitting vage, tegenstrijdige en ronduit onware verklaringen afgelegd over essentiële onderdelen van hun gestelde relatie.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert in beroep – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte geen doorslaggevend gewicht toegekend aan de gelijkluidende verklaringen van eiser en referente. Volgens eiser is namelijk op tien punten eensluidend verklaard en slechts op vier punten tegenstrijdig. Gelet op een uitspraak van deze rechtbank [2] heeft verweerder dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom sprake is van een schijnrelatie. Verder heeft verweerder onvoldoende waarde gehecht aan de verklaringen die eiser en referente tijdens de hoorzitting hebben gegeven over de tegenstrijdigheden. Ook heeft verweerder ten onrechte van horen in bezwaar afgezien.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiser geen gelijk en overweegt daartoe als volgt.
4.1
Uit vaste rechtspraak van de hoogste vreemdelingenrechter [3] volgt dat van een vreemdeling en de gestelde partner mag worden verwacht dat zij over essentiële gebeurtenissen in hun gemeenschappelijke leven eensluidende verklaringen afleggen. De tegenstrijdige en uiteenlopende verklaringen die eiser en referente op deze essentiële punten hebben afgelegd zijn daarom van wezenlijk belang voor de beoordeling of zij een deugdelijk bewezen duurzame relatie hebben.
4.2
De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiser en referente op essentiële punten verschillend en tegenstrijdig hebben verklaard, onder andere over het verloop van de eerste ontmoeting, het huwelijksaanzoek, het dagelijks leven en de samenwoning. Nu juist deze verklaringen zien op onderdelen die een liefdesrelatie van een vriendschappelijke relatie onderscheiden, heeft verweerder doorslaggevend gewicht aan de verklaringen op deze onderdelen mogen toekennen. De enkele stelling dat er meer gelijkluidende verklaringen zijn dan tegenstrijdige verklaringen doet hier -voor zover dit al juist zou zijn- niet aan af. De gelijkluidende verklaringen zien namelijk op aspecten van het samenleven tussen eiser en referente die ook in een relatie tussen vrienden of huisgenoten aanwezig kunnen zijn. Verweerder heeft aan de essentiële onderdelen van de verklaringen van eiser en referente dan ook meer gewicht mogen toekennen dan aan de minder relevante verklaringen. De verduidelijkingen die eiser en referente tijdens de hoorzitting hebben geprobeerd te geven, maken dit niet anders, nu verweerder terecht geconcludeerd heeft dat ook deze tegenstrijdig zijn en daarom de twijfel over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser en referente niet wegnemen. Alles in samenhang bezien is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat tussen eiser en referente geen sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie [4] , op grond waarvan eiser een afgeleid verblijfsrecht zou hebben.
4.3
De rechtbank is ten slotte van oordeel dat van schending van de hoorplicht geen sprake is. Eiser en referente zijn in de aanvraagfase van deze procedure uitgebreid door verweerder gehoord. Gelet op de motivering van het daarop volgende primaire besluit en op hetgeen door eiser is aangevoerd en overgelegd in de bezwaarfase, heeft verweerder terecht vastgesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.
Wat is de conclusie?
5. Het beroep is ongegrond.
6. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van de vereiste connexiteit [5] .
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen verzet of hoger beroep open.

Voetnoten

1.Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad.
2.Zie de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5675.
3.Zie onder andere de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2434, rechtsoverwegingen. 3.1 en 3.2.
4.In de zin van artikel 8.7, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).