ECLI:NL:RBDHA:2023:1508
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken connexiteit in vreemdelingenzaak
Verzoeker heeft een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij een besluit van 11 juni 2021. Tegen deze afwijzing is bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend op 17 juni 2021. Na afwijzing van het bezwaar op 24 februari 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld en een nieuw verzoek om voorlopige voorziening ingediend op 3 maart 2022.
De voorzieningenrechter constateert dat het bezwaar inmiddels is afgehandeld en dat er geen bezwaarprocedure meer aanhangig is. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is een verzoek om voorlopige voorziening alleen ontvankelijk indien er een bezwaar- of beroepsprocedure aanhangig is. Omdat deze ontbreekt, is het verzoek niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit.
De voorzieningenrechter verwijst naar eerdere uitspraken van 12 juni 2022 waarin het beroep is behandeld en een eerder verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen. Gezien deze omstandigheden is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit.