ECLI:NL:RBDHA:2023:15135
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen niet-ontvankelijk werd verklaard. Tevens werd vastgesteld dat zij niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en werd haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet verlengd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening buiten zitting beoordeeld op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in het hoofdberoep (zaaknummer AWB 22/5612), achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het hoofdberoep reeds is beslist.