ECLI:NL:RBDHA:2023:15138
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot teruggeleiding van kinderen vanuit Nederland naar Turkije
De vader verzocht de rechtbank Den Haag om zijn kinderen terug te leiden van Nederland naar Turkije, waar zij hun gewone verblijfplaats hadden vóór vertrek. De moeder, belast met het gezag na de echtscheiding, was met de kinderen naar Nederland vertrokken. De vader voerde aan dat hij mede zeggenschap had over de woonplaats van de kinderen en dat de overbrenging daarom ongeoorloofd was.
De rechtbank beoordeelde het verzoek aan de hand van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering en het Turkse gezagsrecht op het moment van overbrenging. De vader startte pas na vertrek van de moeder juridische procedures in Turkije, waardoor de rechtbank deze beslissingen buiten beschouwing liet. Uit de Turkse echtscheidingsbeschikking en relevante wetsartikelen bleek dat de moeder het gezag had zonder beperkingen zoals toestemming voor verhuizing.
De rechtbank concludeerde dat de vader geen bewijs leverde dat hij mede zeggenschap had over de woonplaats en dat de moeder als gezaghebbende ouder zelfstandig kon besluiten met de kinderen naar Nederland te verhuizen. Er was daarom geen sprake van ongeoorloofde overbrenging. Het verzoek tot teruggeleiding en de daarmee samenhangende verzoeken werden afgewezen. De kostenveroordeling ten laste van de moeder werd eveneens afgewezen. De voorlopige voogdij van de aangewezen instantie vervalt na onherroepelijke afwijzing van het verzoek.
Uitkomst: Het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de kinderen naar Turkije wordt afgewezen wegens het ontbreken van ongeoorloofde overbrenging.