ECLI:NL:RBDHA:2023:15199
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf bij familielid op grond van artikel 8 EVRM
Eiseres, een Eritrese vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking verblijf bij familie- of gezinslid, haar zoon die in Nederland woont. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek af op 13 juli 2021 en handhaafde dit besluit na bezwaar op 25 februari 2022. Tijdens de beroepsprocedure vond een hoorzitting plaats op 2 februari 2023, waarna de motivering van het besluit werd aangevuld.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet in staat is de familierechtelijke relatie met haar zoon te bewijzen, maar dat er wel sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro. De kern van het geschil betreft de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro, waarbij eiseres betoogt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met objectieve en subjectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland te voeren.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft meegewogen dat er geen objectieve belemmeringen zijn voor de referent om het familieleven in Saoedi-Arabië te voeren, waar eiseres sinds 2004 verblijft en verblijfsrecht heeft. Ook het economische belang van Nederland en het langdurige contactverlies tussen eiseres en haar zoon van 2004 tot 2018 rechtvaardigen de negatieve belangenafweging. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar veroordeelt verweerder tot een proceskostenvergoeding van €837 vanwege het alsnog houden van een hoorzitting in de beroepsfase.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een proceskostenvergoeding aan eiseres.