ECLI:NL:RBDHA:2023:15324
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening mvv-verzoek tijdens bezwaarprocedure in vreemdelingenrecht
Verzoekers, minderjarige kinderen met Marokkaanse nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan voor verblijf als familieleden van hun biologische vader, die in Nederland verblijft. De staatssecretaris wees de aanvraag af en verzoekers maakten bezwaar. Tijdens de bezwaarprocedure verzochten zij om een voorlopige voorziening om als in het bezit van een mvv te worden beschouwd.
De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening met onomkeerbare gevolgen slechts in uitzonderlijke gevallen wordt toegekend, namelijk bij zwaarwegend spoedeisend belang en twijfel aan de rechtmatigheid van het primaire besluit. De staatssecretaris benadrukte het belang van het handhaven van het afwijzingsbesluit vanwege het grensbewakingsbelang en restrictief toelatingsbeleid.
Verzoekers stelden dat zij aan de voorwaarden voldoen en dat er sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang vanwege de zorgsituatie en het seksueel misbruik van een van de kinderen. De voorzieningenrechter vond dit belang echter niet evident genoeg onderbouwd met medische of psychologische stukken.
Daarnaast bestaat onduidelijkheid over het juridisch vaderschap en gezag van de referent volgens Marokkaans recht, en over de geldigheid van de toestemming van de moeder. Hierdoor is het primaire besluit niet evident onrechtmatig. De voorzieningenrechter concludeerde dat de bezwaarprocedure met voortvarendheid moet worden behandeld, maar dat de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om verblijf in Nederland tijdens bezwaarprocedure als houder van een mvv te worden toegestaan, is afgewezen.