ECLI:NL:RBDHA:2023:15412
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen terugvordering te veel betaalde WW-uitkering wegens niet gemelde inkomsten
Eiser ontving tussen 2017 en 2019 een WW-uitkering. Verweerder stelde vast dat eiser inkomsten uit arbeid had genoten die niet waren gemeld, gebaseerd op rapporten van de Belastingdienst. Hierdoor werd een bedrag van €46.335,42 teruggevorderd. Eiser voerde aan dat hij alleen vrijwilligerswerk verrichtte en geen inkomen genoot, en dat de rapporten onzorgvuldig waren. Ook stelde hij dat er dringende redenen waren om terugvordering te voorkomen en verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van de rapporten van de Belastingdienst, die inzichtelijk maakten dat eiser inkomsten had ontvangen die niet waren gemeld. De stelling van eiser dat hij vrijwilligerswerk had gemeld, werd onvoldoende onderbouwd. Er was geen dringende reden om af te zien van terugvordering, mede gezien het huidige inkomen van eiser en de terugbetalingsregeling.
Verder stelde de rechtbank vast dat de redelijke termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep was overschreden, waarbij de overschrijding voor rekening van verweerder kwam. Daarom werd verweerder veroordeeld tot een schadevergoeding van €500,- aan eiser, en ook de Staat werd tot betaling van €500,- veroordeeld vanwege overschrijding in de rechterlijke fase.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser werd veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van de te veel betaalde WW-uitkering wordt ongegrond verklaard en eiser moet het bedrag terugbetalen.