Uitspraak
beslissing
1.De procedure
2.Het wrakingsverzoek
RP VERZ 23-50055 behandeld.
3.De beoordeling
4.De beslissing
,i,%
,,t1
'1
i.;
'J
,f
';;
I;
-)! '» 1 6 OKT. 202:J
",
::(':.
è, :/
)De griffier,
)t,. ),..
s
Rechtbank Den Haag
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken was bij een civiele procedure tussen verzoeker en de Staat der Nederlanden. Het verzoek betrof vermeende schending van artikel 187 lid 4 Rv Pro en vermeende misleiding door de rechter, met verwijzing naar het niet correct informeren van de wederpartij over de zittingsdatum.
De wrakingskamer oordeelde dat de rechterlijke onpartijdigheid wordt vermoed en dat verzoeker onvoldoende concrete feiten aanvoerde die een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid opleveren. De vermeende schending van procedurele regels kan niet leiden tot wraking, aangezien dit een tussenbeslissing betreft die via reguliere rechtsmiddelen moet worden aangevochten.
Daarnaast constateerde de wrakingskamer dat verzoeker reeds twee eerdere wrakingsverzoeken had ingediend zonder feitelijke onderbouwing, wat leidde tot onredelijke vertraging. Daarom werd bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet meer in behandeling wordt genomen.
De beslissing werd op 16 oktober 2023 in het openbaar uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Den Haag, waarna het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand van zaken ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en misbruik van het wrakingsmiddel.