ECLI:NL:RBDHA:2023:15628
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding met land van herkomst
Eiser diende op 8 augustus 2022 een aanvraag in voor een visum kort verblijf bij de Nederlandse ambassade in Paramaribo, met als doel familiebezoek aan zijn tante. De Minister wees de aanvraag af op 15 augustus 2022, omdat er redelijke twijfel bestond over het voornemen van eiser om het Schengengebied tijdig te verlaten. De sociale en economische binding met Suriname werd als onvoldoende beoordeeld.
Eiser maakte bezwaar tegen deze afwijzing, dat op 18 april 2023 kennelijk ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag. Tijdens de zitting op 4 oktober 2023 werden de standpunten van beide partijen besproken.
De rechtbank overwoog dat de Minister een ruime beoordelingsmarge heeft bij de visumaanvraag en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij over een substantieel en regelmatig inkomen beschikt. Ondanks loonstroken, een werkgeversverklaring en een inschrijving van een eigen bedrijf, ontbraken bankafschriften die daadwerkelijke inkomsten bevestigen. Daarnaast waren de verklaringen over het inkomen inconsistent.
Gelet op deze omstandigheden concludeerde de rechtbank dat de Minister terecht twijfelde aan de tijdige terugkeer van eiser naar Suriname. De weigeringsgrond uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode was daarmee voldoende voor afwijzing. Het beroep werd ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag voor kort verblijf wordt ongegrond verklaard.