ECLI:NL:RBDHA:2023:15678
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vermindering vergoeding rechtsbijstand na kostenveroordeling eerste aanleg
Eiser, een advocaat, heeft een rechtzoekende bijgestaan in een beroepsprocedure bij de rechtbank Rotterdam. Na een ongegrond verklaard beroep in eerste aanleg en een gegrond verklaard hoger beroep door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, werd aan de rechtzoekende proceskosten toegekend voor beide instanties. De Raad voor Rechtsbijstand bracht de kostenveroordeling voor eerste aanleg in mindering op de vergoeding aan eiser, waardoor zijn vergoeding nihil werd.
Eiser betoogde dat deze vermindering onrechtmatig was, onder meer omdat de kostenveroordeling aan de advocaat in hoger beroep was betaald en hij niet op de hoogte was van het hoger beroep. Verweerder stelde dat de vermindering terecht was op grond van artikel 32 lid 3 Bvr Pro en dat eiser de proceskosten nog bij de advocaat in hoger beroep of de rechtzoekende kon vorderen.
De rechtbank oordeelde dat de wettelijke grondslag voor vermindering duidelijk was en dat het woord "die" in artikel 32 lid 3 Bvr Pro betrekking heeft op de vergoeding van de instantie waarop de kostenveroordeling ziet. De subsidiaire bezwaren faalden, onder meer omdat artikel 32 lid 4 Bvr Pro niet van toepassing was en er geen bijzondere omstandigheden waren om af te wijken van het beleid. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de vermindering van de vergoeding voor verleende rechtsbijstand wordt ongegrond verklaard.