Eiser, van Chinese nationaliteit, is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ongewenst verklaard vanwege een gevaar voor de openbare orde, gebaseerd op een eerdere veroordeling tot 41 maanden gevangenisstraf voor een opiumdelict en het feit dat hij bij binnenkomst in Nederland cocaïne invoerde.
Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder het onrechtmatig gebruik van een niet-beëdigde tolk, het niet informeren over rechtshulp, het niet naleven van de hoorplicht in de bezwaarfase en een onvoldoende gemotiveerd besluit. De rechtbank erkent het gebrek bij de tolk, maar passeert dit gebrek omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad.
De overige beroepsgronden worden verworpen. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris het besluit voldoende heeft gemotiveerd, dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt. De ongewenstverklaring blijft daarom in stand en eiser moet onmiddellijk vertrekken.
De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van proceskosten aan eiser wegens het gebrek bij de tolk. Eiser kan binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.