ECLI:NL:RBDHA:2023:15744
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen intrekking toevoeging voor rechtsbijstand wegens vertrouwensbreuk
Eiser heeft een toevoeging voor rechtsbijstand gekregen om een civielrechtelijk geschil te voeren, maar tussen hem en zijn advocaat ontstond een vertrouwensbreuk. De advocaat verzocht zonder instemming van eiser om intrekking van de toevoeging, waarna deze werd ingetrokken. Eiser maakte bezwaar en kwam in beroep tegen deze intrekking.
De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk sprake is van een vertrouwensbreuk, zoals blijkt uit het intrekkingsverzoek, een tuchtrechtelijke klacht en een mislukte bemiddelingspoging. Hoewel verweerder niet volledig volgens de werkinstructies heeft gehandeld door eiser niet vooraf te horen, is eiser hierdoor niet in zijn belangen geschaad omdat hij tijdens de bezwaarprocedure voldoende gelegenheid kreeg zijn standpunt toe te lichten.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking van de toevoeging op grond van artikel 33, lid 1, onderdeel b van de Wet op de rechtsbijstand. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de toevoeging voor rechtsbijstand wordt ongegrond verklaard.