ECLI:NL:RBDHA:2023:15744

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 oktober 2023
Publicatiedatum
19 oktober 2023
Zaaknummer
23/479
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 WrbArt. 6:22 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen intrekking toevoeging voor rechtsbijstand wegens vertrouwensbreuk

Eiser heeft een toevoeging voor rechtsbijstand gekregen om een civielrechtelijk geschil te voeren, maar tussen hem en zijn advocaat ontstond een vertrouwensbreuk. De advocaat verzocht zonder instemming van eiser om intrekking van de toevoeging, waarna deze werd ingetrokken. Eiser maakte bezwaar en kwam in beroep tegen deze intrekking.

De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk sprake is van een vertrouwensbreuk, zoals blijkt uit het intrekkingsverzoek, een tuchtrechtelijke klacht en een mislukte bemiddelingspoging. Hoewel verweerder niet volledig volgens de werkinstructies heeft gehandeld door eiser niet vooraf te horen, is eiser hierdoor niet in zijn belangen geschaad omdat hij tijdens de bezwaarprocedure voldoende gelegenheid kreeg zijn standpunt toe te lichten.

De rechtbank concludeert dat verweerder terecht gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking van de toevoeging op grond van artikel 33, lid 1, onderdeel b van de Wet op de rechtsbijstand. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de toevoeging voor rechtsbijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/479

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats], eiser

en

Het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand

(gemachtigde: mr. J. Luursema)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van een toevoeging voor rechtsbijstand.
1.1.
Op 19 maart 2022 heeft verweerder een toevoeging aan eiser verleend voor rechtsbijstand door een advocaat. Verweerder heeft deze toevoeging bij besluit van 7 juni 2022 ingetrokken. Eiser heeft tegen de intrekking op 14 juli 2022 bezwaar gemaakt en het bezwaar op 10 november 2022 aangevuld.
1.2.
Met het bestreden besluit van 5 december 2022 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen is eiser op 13 januari 2023 in beroep gekomen. Het beroep is op 22 februari 2023 aangevuld. Verweerder heeft op 13 maart 2023 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft een civielrechtelijk geschil met een derde partij, die hij aansprakelijk wil stellen. Ter behartiging van zijn belangen heeft hij zich gewend tot de advocaat mr. [naam] (“de advocaat”). De advocaat heeft namens eiser een toevoeging aangevraagd op grond van de Wet op de rechtsbijstand (“Wrb”), welke aanvraag door verweerder is toegewezen.
3. Tussen eiser en de advocaat is een meningsverschil ontstaan. Eiser heeft een klacht tegen de advocaat ingediend bij de lokale deken van de Orde van Advocaten. De deken heeft vergeefs getracht te bemiddelen.
4. Op 30 mei 2022 heeft de advocaat een aanvraagformulier ingediend, waarin is verzocht om intrekking van de toevoeging. Dit intrekkingsverzoek is zonder de instemming van eiser ingediend. Eiser is niet door verweerder gevraagd een reactie op het intrekkingsverzoek te geven. Op 7 juni 2022 is de toevoeging ingetrokken. De advocaat heeft zich vervolgens aan behandeling van het civielrechtelijke geschil onttrokken.
5. Tijdens de bezwaarprocedure heeft de advocaat het intrekkingsverzoek verder toegelicht. Tussen hem en eiser zou geen werkbare situatie bestaan. Verder heeft de advocaat verklaard dat hij aan eiser heeft verzocht een andere advocaat te vinden die de zaak wil oppakken, zodat de zaak kan worden overgedragen; eiser zou dat hebben nagelaten. Verweerder heeft daaruit opgemaakt dat sprake is van een vertrouwensbreuk tussen eiser en de advocaat, waarmee van de advocaat niet meer kon worden verwacht dat hij de belangenbehartiging zou voortzetten.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser meent dat de intrekking onjuist is, omdat hij daarmee niet heeft ingestemd en hij niet de gelegenheid heeft gekregen op het intrekkingsverzoek te reageren. De intrekking is in strijd met de toepasselijke werkinstructies die verweerder hanteert. Er is namelijk geen sprake van een vertrouwensbreuk en voor zover die er wel zou zijn, heeft de advocaat daar eenzijdig op aangestuurd. De advocaat weigert de noodzakelijke medewerking en niet eiser. Over de inhoudelijke aanpak van de zaak bestaat tussen hen geen geschil. Een advocaat mag zich niet eenzijdig onttrekken aan zijn verplichting tot rechtsbijstand. Eventueel zou de advocaat de behandeling moeten overdragen aan een andere, bereidwillige advocaat.
Wat vindt de rechtbank?
7. De Wrb bepaalt in artikel 33 bij Pro het eerste lid, onderdeel b, dat verweerder bevoegd is tot intrekking van de toevoeging, indien de aanvrager de voor een goede zaakbehartiging noodzakelijke medewerking weigert.
8. Verweerder heeft in de “Werkinstructie Mutatie beëindiging / intrekking van de toevoeging” nadere invulling gegeven aan de wijze waarop artikel 33 wordt Pro toegepast. De intrekkingsgrond bij onderdeel b wordt in het beleid toegelicht onder de tussenkop met de titel: “Beëindiging in verband met weigering medewerking/vertrouwensbreuk”. De toelichting maakt duidelijk dat de intrekkingsgrond betrekking heeft op gevallen waarin de advocaat en de cliënt het niet eens kunnen worden over de wijze van afhandeling van de zaak. Verder vermeldt de toelichting dat de rechtshulpbehoevende in de gelegenheid moet worden gesteld te reageren op het voornemen tot beëindiging. Als de rechtshulpbehoevende daarop niet reageert of als de reactie geen reden geeft om af te wijken van het voornemen, wordt de toevoeging beëindigd.
9. Partijen verschillen van mening of er een vertrouwensbreuk is ontstaan en dat artikel 33 onderdeel Pro b van de Wrb van toepassing is. De rechtbank oordeelt als volgt.
10. Tussen eiser en de advocaat bestaat verschil van inzicht. Dat blijkt niet alleen uit het verzoek tot intrekking, maar wordt ook bevestigd door de indiening van de tuchtrechtelijke klacht, gevolgd door de vergeefse bemiddelingspoging door de deken. De stelling van eiser, dat over de inhoudelijke aanpak van de zaak geen geschil bestaat, verdraagt zich niet met deze feiten. Voor een adequate inhoudelijke behandeling van de zaak is het essentieel dat de advocaat en zijn cliënt voldoende eensgezind zijn en er tussen hen een basis voor samenwerking bestaat. Verweerder heeft met juistheid vastgesteld dat partijen niet op één lijn zitten en dat er tussen hen onvoldoende vertrouwen bestaat. De stelling van eiser, voor zover van belang, dat de advocaat eenzijdig op de beëindiging heeft aangestuurd, volgt de rechtbank niet. Het is duidelijk dat de relatie wederzijds was verstoord voordat het intrekkingsverzoek werd gedaan. Verder vereist de intrekking volgens artikel 33 van Pro de Wrb geen opdracht of instemming van de rechtshulpbehoevende.
11. Het kan eiser worden toegegeven, dat verweerder bij de afhandeling van het verzoek tot intrekking niet conform de Werkinstructie heeft gehandeld, voor zover het gaat om de verplichting tot horen. Zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft overwogen, is eiser hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad. In de bezwaarfase heeft eiser voldoende gelegenheid gekregen zijn standpunt naar voren te brengen en eiser heeft daarvan gebruik gemaakt. Bovendien ligt het niet in de rede, dat eerdere kennisname van zijn standpunt tot een andere beslissing zou hebben geleid. Het gebrek mocht dus op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht worden gepasseerd.
12. Gezien het voorgaande heeft verweerder gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking.
13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.