De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een machtiging voor gesloten jeugdhulp voor een minderjarige vanwege zorgen over zijn veiligheid en negatieve invloeden uit zijn omgeving. De minderjarige was eerder geplaatst in een gesloten accommodatie en er was sprake van een veranderingsproces, maar de Raad vond dat verdere gesloten plaatsing noodzakelijk was om de bedreigingen beter te concretiseren.
De minderjarige, zijn ouders en de gecertificeerde instelling voerden verweer. De minderjarige gaf aan dat hij geleerd had weloverwogen keuzes te maken en dat hij zich wil ontwikkelen. De ouders hebben samengewerkt aan een plan en willen de situatie verbeteren. De gecertificeerde instelling adviseerde geen plaatsing thuis vanwege veiligheidszorgen, maar benadrukte het belang van systeemtherapie.
De kinderrechter oordeelde dat de gronden voor gesloten plaatsing zoals genoemd in artikel 6.1.2, tweede lid, van de Jeugdwet onvoldoende waren geconcretiseerd. Hoewel er zorgen zijn over de veiligheid en het gedrag van de minderjarige, kan de benodigde hulp binnen de ondertoezichtstelling worden ingezet. De kinderrechter wees daarom het verzoek af omdat niet langer aan de criteria voor gesloten plaatsing werd voldaan.