Eiser heeft op 19 september 2022 een visum voor kort verblijf aangevraagd om zijn zus en zwager te bezoeken.
De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat er volgens hem redelijke twijfel bestaat over eisers voornemen om het grondgebied van de EU-lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten. Volgens de minister zijn de sociale en economische binding van eiser met Marokko niet zodanig sterk dat de tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten.
De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om een visum aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Toetsingskader
Eiser voert allereerst aan dat de minister een onjuiste toets heeft uitgevoerd. Het moet worden beoordeeld of redelijke twijfel bestaat dat eiser de geldigheidsduur van het visum zal overschrijden. De sociale en/of economische binding met het land van herkomst zijn slechts indicaties en zeggen op zichzelf niets over het risico van illegaal verblijf. Ook andere persoonlijke omstandigheden kunnen een rol van betekenis hebben in het inschatten van dit risico.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van een vreemdeling om het grondgebied van de EU-lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het gevraagde visum, mag de minister zich laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van een vreemdeling met zijn of haar land van herkomst. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat deze binding zodanig is, dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat zijn tijdige terugkeer naar Marokko voldoende gewaarborgd is.
Sociale en economische binding
Eiser bestrijdt dat hij geen economische binding heeft. Hij werkt als white collar worker. Ter onderbouwing overlegt hij een werkgeversverklaring van 22 augustus 2022 van café-restaurant La Terrassa. Verder overlegt eiser diploma’s van zijn opleiding tot kapper. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat met de overgelegde bewijsstukken onvoldoende is aangetoond dat eiser daadwerkelijk economisch actief is in Marokko. Als moet worden aangenomen dat eiser daadwerkelijk werkzaam is als ober en/of kapper, dan is niet vast komen te staan dat hij een duurzaam en substantieel inkomen geniet met zijn werkzaamheden. De minister wijst er daarbij op dat eiser geen arbeidscontracten, bankafschriften en loonspecificaties heeft overgelegd om zijn werkzaamheden en inkomen te onderbouwen.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn economische binding met Marokko zodanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat zijn tijdige terugkeer naar Marokko voldoende gewaarborgd is. Met zijn diploma’s kan eiser hooguit aantonen dat hij een opleiding heeft behaald, maar dat zegt niets over de vraag of eiser werk en inkomen heeft in Marokko. De werkgeversverklaring is in dit geval ook onvoldoende. De rechtbank overweegt dat de referent van eiser op de vragenlijst heeft ingevuld dat eiser geen werk heeft. Dit klopt niet met eisers eigen verklaring en de overgelegde werkgeversverklaring. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen goede verklaring gegeven voor dit verschil.
Op de zitting hebben de referent en de zus van eiser voor het eerst naar voren gebracht dat eiser sociale binding heeft met Marokko, omdat hij zorgt voor zijn oma van bijna 100 jaar oud en voor zijn ouders. Eerder heeft hij dit niet naar voren gebracht. Hetzelfde geldt voor de verklaring van de zus en de referent op de zitting dat eiser het visum nodig heeft om zijn moeder (die wel een visum heeft gekregen) naar Nederland te begeleiden, omdat zij niet alleen kan reizen. Omdat eiser deze omstandigheden niet eerder naar voren heeft gebracht, heeft de minister daar ook geen rekening mee kunnen houden bij de beoordeling van de aanvraag of bij het nemen van een beslissing op eisers bezwaarschrift. De minister heeft zich daarom in het besluit van 30 mei 2023 op het standpunt kunnen stellen dat niet gebleken is dat eiser de zorg heeft voor directe familieleden. Voor het overige heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser een onvoldoende sterke sociale binding met Marokko aannemelijk heeft gemaakt. Hij is nog jong en heeft geen partner en geen kinderen.
9. Eiser voert tot slot aan dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank overweegt hierover dat de minister alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar mag afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022.
10. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aan die maatstaf is voldaan. In wat eiser in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om hem (of de referent) te horen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het bezwaarschrift geen enkele aanwijzing bevat voor de verklaringen zoals ze nu op de zitting van de rechtbank zijn afgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.