ECLI:NL:RBDHA:2023:15822

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 september 2023
Publicatiedatum
20 oktober 2023
Zaaknummer
AWB 23/6654
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende economische en sociale binding met land van herkomst

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit, heeft op 19 september 2022 een visum voor kort verblijf aangevraagd om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van redelijke twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko. De minister vond dat eiser onvoldoende economische en sociale binding met zijn land van herkomst had aangetoond.

Eiser voerde aan dat de minister een onjuiste toets hanteerde en dat ook andere persoonlijke omstandigheden een rol moeten spelen bij de beoordeling van het risico op illegaal verblijf. De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht de sociale en economische binding als leidend heeft genomen en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een duurzame economische activiteit ontplooit. De overgelegde werkgeversverklaring en diploma’s boden geen overtuigend bewijs van een substantieel inkomen of duurzame arbeidsrelatie.

Ook de sociale binding werd onvoldoende onderbouwd. Eiser bracht pas tijdens de zitting naar voren dat hij zorgt voor zijn hoogbejaarde grootmoeder en ouders, en dat hij zijn moeder wil begeleiden naar Nederland. Deze omstandigheden waren niet eerder gemeld, waardoor de minister hier geen rekening mee kon houden. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat het visum terecht is geweigerd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende economische en sociale binding met Marokko.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 23/6654

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 september 2023 in de zaak tussen

[eiser] , uit Marokko, eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C.N. Noordzee),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, de minister

(gemachtigde: mr. S. Kowsari).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum voor familiebezoek in Nederland.
De minister van Buitenlandse Zaken (de minister) heeft deze aanvraag met het besluit van 19 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 mei 2023 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser en de minister. Ook waren aanwezig [referent] (referent/zwager van eiser) en [A] (zus van eiser).

Beoordeling door de rechtbank

Eiser heeft op 19 september 2022 een visum voor kort verblijf aangevraagd om zijn zus en zwager te bezoeken.
De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat er volgens hem redelijke twijfel bestaat over eisers voornemen om het grondgebied van de EU-lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten. Volgens de minister zijn de sociale en economische binding van eiser met Marokko niet zodanig sterk dat de tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten.
De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag om een visum aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Toetsingskader
Eiser voert allereerst aan dat de minister een onjuiste toets heeft uitgevoerd. Het moet worden beoordeeld of redelijke twijfel bestaat dat eiser de geldigheidsduur van het visum zal overschrijden. De sociale en/of economische binding met het land van herkomst zijn slechts indicaties en zeggen op zichzelf niets over het risico van illegaal verblijf. Ook andere persoonlijke omstandigheden kunnen een rol van betekenis hebben in het inschatten van dit risico.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van een vreemdeling om het grondgebied van de EU-lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het gevraagde visum, mag de minister zich laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van een vreemdeling met zijn of haar land van herkomst. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat deze binding zodanig is, dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat zijn tijdige terugkeer naar Marokko voldoende gewaarborgd is.
Sociale en economische binding
Eiser bestrijdt dat hij geen economische binding heeft. Hij werkt als white collar worker. Ter onderbouwing overlegt hij een werkgeversverklaring van 22 augustus 2022 van café-restaurant La Terrassa. Verder overlegt eiser diploma’s van zijn opleiding tot kapper. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat met de overgelegde bewijsstukken onvoldoende is aangetoond dat eiser daadwerkelijk economisch actief is in Marokko. Als moet worden aangenomen dat eiser daadwerkelijk werkzaam is als ober en/of kapper, dan is niet vast komen te staan dat hij een duurzaam en substantieel inkomen geniet met zijn werkzaamheden. De minister wijst er daarbij op dat eiser geen arbeidscontracten, bankafschriften en loonspecificaties heeft overgelegd om zijn werkzaamheden en inkomen te onderbouwen.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn economische binding met Marokko zodanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat zijn tijdige terugkeer naar Marokko voldoende gewaarborgd is. Met zijn diploma’s kan eiser hooguit aantonen dat hij een opleiding heeft behaald, maar dat zegt niets over de vraag of eiser werk en inkomen heeft in Marokko. De werkgeversverklaring is in dit geval ook onvoldoende. De rechtbank overweegt dat de referent van eiser op de vragenlijst heeft ingevuld dat eiser geen werk heeft. Dit klopt niet met eisers eigen verklaring en de overgelegde werkgeversverklaring. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen goede verklaring gegeven voor dit verschil.
Op de zitting hebben de referent en de zus van eiser voor het eerst naar voren gebracht dat eiser sociale binding heeft met Marokko, omdat hij zorgt voor zijn oma van bijna 100 jaar oud en voor zijn ouders. Eerder heeft hij dit niet naar voren gebracht. Hetzelfde geldt voor de verklaring van de zus en de referent op de zitting dat eiser het visum nodig heeft om zijn moeder (die wel een visum heeft gekregen) naar Nederland te begeleiden, omdat zij niet alleen kan reizen. Omdat eiser deze omstandigheden niet eerder naar voren heeft gebracht, heeft de minister daar ook geen rekening mee kunnen houden bij de beoordeling van de aanvraag of bij het nemen van een beslissing op eisers bezwaarschrift. De minister heeft zich daarom in het besluit van 30 mei 2023 op het standpunt kunnen stellen dat niet gebleken is dat eiser de zorg heeft voor directe familieleden. Voor het overige heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser een onvoldoende sterke sociale binding met Marokko aannemelijk heeft gemaakt. Hij is nog jong en heeft geen partner en geen kinderen.
Heeft de minister de hoorplicht geschonden?
9. Eiser voert tot slot aan dat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank overweegt hierover dat de minister alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen in bezwaar mag afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022. [1]
10. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aan die maatstaf is voldaan. In wat eiser in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om hem (of de referent) te horen. Daarbij merkt de rechtbank op dat het bezwaarschrift geen enkele aanwijzing bevat voor de verklaringen zoals ze nu op de zitting van de rechtbank zijn afgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat terecht geen visum is verleend aan eiser. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.