Verzoekers hebben twee afzonderlijke besluiten van 31 juli 2023 aangevochten waarin hun aanvragen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure als kennelijk ongegrond zijn afgewezen. Zij hebben tevens een verzoek ingediend om voorlopige voorzieningen te treffen, inhoudende dat zij niet worden uitgezet voordat op hun beroepen is beslist.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht buiten zitting uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank bij uitspraak in de zaken met nummers NL23.21963 en NL23.21965 reeds op de beroepen heeft beslist waarop deze verzoeken om voorlopige voorziening betrekking hebben, zijn voorlopige voorzieningen niet langer noodzakelijk.
Daarom zijn de verzoeken om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.