ECLI:NL:RBDHA:2023:15937

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 september 2023
Publicatiedatum
23 oktober 2023
Zaaknummer
NL23.10151
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was opgeheven nadat eiser was uitgezet naar Spanje. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of eiser recht had op schadevergoeding.

De maatregel van bewaring was gebaseerd op een concreet aanknopingspunt voor een overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. De rechtbank stelde vast dat eiser zonder visum was binnengekomen en geen medewerking verleende aan zijn overdracht, wat voldoende gronden vormde voor de bewaring. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een lichter middel rechtvaardigden.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.D. Gunster en griffier J.F.A. Bleichrodt op 12 september 2023.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.10151

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S.H. Orsel).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft op 3 april 2023 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 5 april 2023 de maatregel van bewaring opgeheven omdat eiser op die datum is uitgezet naar Spanje.
Partijen hebben toestemming verleend om de zaak schriftelijk te behandelen. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1993 en de Jemenitische nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen, en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank constateert dat de gemachtigde van eiser geen gronden heeft ingediend. De rechtbank is echter gehouden om de maatregel ambtshalve te toetsen.
4.1.
Het is de rechtbank, ambtshalve toetsend, niet gebleken dat de maatregel van bewaring op een moment onrechtmatig moet worden geacht. Hiertoe overweegt de rechtbank onder meer het volgende. Verweerder heeft de bewaring terecht gebaseerd op artikel 59a van de Vw 2000. Er was een concreet aanknopingspunt dat er sprake was van een Dublinsituatie, namelijk het resultaat van de Eurodac-bevraging. Verder zijn in ieder geval de zware gronden onder 3a en 3k terecht tegengeworpen. Eiser is zonder visum ingereisd en heeft geweigerd om aan boord te gaan van een eerder voor hem geboekte vlucht. Deze twee gronden zijn voldoende om een significant risico op onttrekking aan het toezicht aan te nemen en om de maatregel te dragen. Verder is gesteld noch anderszins gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder met een lichter middel had moeten volstaan.
Wat is de conclusie?
5.
Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.