ECLI:NL:RBDHA:2023:15953
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser betoogde dat hij bij overdracht naar Oostenrijk gescheiden zou worden van zijn vader en familie in Nederland, en dat artikel 16 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden vanwege een afhankelijkheidsrelatie met zijn vader.
De rechtbank overweegt dat de Dublinverordening gericht is op het bij elkaar houden van familieleden, maar dat dit geen doel op zich is en dat alleen bij aantoonbare afhankelijkheid tussen familieleden een lidstaat verplicht is de aanvraag in behandeling te nemen. De medische en ondersteunende documenten tonen aan dat de vader van eiser emotioneel geraakt is door het vertrek van eiser, maar niet dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Daarnaast zijn er andere familieleden die de vader kunnen ondersteunen.
Ook het beroep op artikel 17, dat de staatssecretaris discretionaire bevoegdheid geeft om een aanvraag onverplicht in behandeling te nemen, wordt verworpen omdat de omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn. Het beroep op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel faalt eveneens omdat de staatssecretaris de familieomstandigheden voldoende heeft meegewogen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de beslissing van de staatssecretaris blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.