Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoeker
(gemachtigde: mr. N. Wouters),
Rechtbank Den Haag
Verzoeker stelde beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 27 november 2021. Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris de asielaanvraag alsnog ingewilligd bij besluit van 17 november 2022. Hierdoor heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding, maar hier is geen gebruik van gemaakt. Op grond van artikel 8:54, eerste lid, Awb, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris door het alsnog honoreren van de aanvraag geheel aan het beroep tegemoet is gekomen. Daarom wordt het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen. De proceskosten worden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van €837 en een wegingsfactor van 0,5 vanwege de lichte aard van het beroep.
De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van deze proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van €418,50 aan proceskosten aan verzoeker.