De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, [naam01] en [naam03], die sinds mei 2023 onder toezicht staan en in een gezinsgerichte voorziening verblijven.
De moeder van de kinderen verblijft in voorlopige hechtenis vanwege een strafrechtelijk onderzoek en kan daardoor niet voor de kinderen zorgen. De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling hebben verzocht de machtiging te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling, 31 mei 2024, met het oog op de veiligheid en stabiliteit van de kinderen.
De moeder betoogde dat de verlenging slechts voor korte duur moet zijn, om tussentijds te kunnen toetsen, gezien haar lopende hoger beroep tegen de gevangenhouding en haar wens tot hereniging met de kinderen.
De rechtbank oordeelde dat de verlenging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen, die zich goed ontwikkelen in het gezinshuis. De rechtbank wees het verzoek tot een kortere verlenging af en stelde vertrouwen in het plan van de gecertificeerde instelling om toe te werken naar terugplaatsing zodra de moeder vrijkomt en haar problematiek aanpakt.
De machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd tot 31 mei 2024 en het eerdere verzoek tot een kortere machtiging is afgewezen.