ECLI:NL:RBDHA:2023:163
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige
De zaak betreft een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die feitelijk bij zijn vader verblijft. De gecertificeerde instelling signaleert nog zorgen vanwege de psychische gesteldheid van de moeder, maar erkent ook dat de maatregelen demotiverend werken voor de minderjarige. De vader ondersteunt de hulpverlening en is bereid de minderjarige te motiveren.
De kinderrechter heeft de stukken bestudeerd en de zitting met gesloten deuren gehouden. De moeder is opgeroepen maar niet verschenen, de minderjarige heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren. De kinderrechter concludeert dat de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing niet meer of onvoldoende aanwezig zijn.
De positieve ontwikkeling van de minderjarige en de vrijwillige medewerking aan hulpverlening zijn doorslaggevend. De kinderrechter benadrukt dat de verantwoordelijkheid nu volledig bij de vader ligt en spoort hem aan om hulp te zoeken bij verslechtering. De machtiging tot uithuisplaatsing is niet meer nodig omdat het verblijf bij de vader feitelijk is en niet meer ter discussie staat.
De kinderrechter wijst het verzoek tot verlenging van beide maatregelen af en benadrukt het belang van een duidelijke omgangsregeling tussen de minderjarige en de moeder. Het vonnis is op 5 januari 2023 mondeling uitgesproken en op 12 januari schriftelijk vastgesteld.
Uitkomst: Verzoek tot verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing is afgewezen.