ECLI:NL:RBDHA:2023:16312
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen besluit geen recht op tijdelijke bescherming
Verzoekster, met de Russische nationaliteit, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de staatssecretaris van 10 augustus 2023 waarin is vastgesteld dat zij geen recht heeft op bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55/EG). Zij verzocht om een voorlopige voorziening om behandeld te worden alsof zij een verblijfsrecht op grond van de richtlijn heeft, omdat zij vreest haar recht op gemeentelijke opvang, toelage en werk te verliezen en van haar partner gescheiden te worden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster nooit een verblijfsrecht op grond van de richtlijn heeft gehad, zodat er geen reeds verworven rechten zijn die door het besluit worden doorkruist. Verzoekster mag niet werken, maar dat was ook vóór het besluit het geval. Het verlies van gemeentelijke opvang heeft geen spoedeisend belang omdat zij inmiddels een asielaanvraag heeft ingediend en leefgeld ontvangt.
De voorzieningenrechter stelt dat het aan de staatssecretaris is om het bezwaar inhoudelijk te beoordelen, onder meer of verzoekster vanwege haar partner ook recht heeft op bescherming. Er is geen concreet voornemen tot uitzetting of scheiding van verzoekster en haar partner. Verzoekster is feitelijk in staat het bezwaar af te wachten. Daarom is geen sprake van onverwijlde spoed en wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed en reeds verworven rechten.