ECLI:NL:RBDHA:2023:16338

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 oktober 2023
Publicatiedatum
31 oktober 2023
Zaaknummer
NL22.24999
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking verzoek voorlopige voorziening bij herroeping besluit verblijfsvergunning

Verzoekster diende een verzoek om voorlopige voorziening in tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 9 november 2022. Tijdens de bezwaarprocedure werd het oorspronkelijke besluit op 14 juli 2023 herroepen en de aanvraag alsnog ingewilligd. Hierop trok verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening op 29 juli 2023 in.

Verzoekster vorderde vervolgens vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. De Staatssecretaris verzette zich tegen deze vergoeding met het argument dat het besluit pas in de bezwaarfase was herroepen op basis van nieuwe feiten en omstandigheden.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de Staatssecretaris zich niet had verzet tegen het verzoek om voorlopige voorziening en daarmee aan verzoekster tegemoet was gekomen. Dit rechtvaardigde een proceskostenvergoeding, die werd vastgesteld op € 837,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verzoekster werd vrijgesteld van griffierecht. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De Staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 837 aan verzoekster.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.24999
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.B.J. Strooij), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster voor een verblijfsvergunning afgewezen. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen hangende de bezwaarprocedure. Bij brief van 17 april 2023 heeft verweerder laten weten zich niet te verzetten tegen toewijzing van een voorlopige voorziening.
Bij besluit van 14 juli 2023 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag van verzoekster ingewilligd.
In reactie hierop heeft verzoekster het verzoek op 29 juli 2023 ingetrokken. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om verweerder te veroordelen tot het vergoeden van de gemaakte proceskosten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de onderhavige procedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de
indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Verweerder heeft laten weten geen reden te zien om de proceskosten te vergoeden, omdat het besluit van 9 november 2022 is herroepen op grond van feiten en omstandigheden die pas in de bezwaarfase aan de orde zijn gekomen.
4. De voorzieningenrechter kan verweerder in deze redenering niet volgen. Verweerder heeft zich niet verzet tegen het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. In zoverre is verweerder indertijd tegemoetgekomen aan het verzoek van verzoekster. Dat staat los van de latere beslissing op het bezwaar.
5. De voorzieningenrechter stelt de te vergoeden proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1). Verzoekster is vrijgesteld van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Er is daarom geen aanleiding om te bepalen dat aan haar het griffierecht moet worden vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 837,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Kampschuur, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 oktober 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.