De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen na hun echtscheiding. Kernpunt van het geschil was de eigendom van een appartement in Marokko en de vraag of dit appartement en de daaraan gekoppelde lening deel uitmaakten van de gemeenschap. De vrouw stelde dat het appartement buiten de gemeenschap viel, terwijl de man betoogde dat het appartement onderdeel was van de gemeenschap en dat hij een aandeel had in de nalatenschap van zijn overleden vader.
De rechtbank oordeelde dat het huwelijksvermogensregime aanvankelijk door Marokkaans recht werd beheerst, maar vanaf het moment waarop de vrouw de Nederlandse nationaliteit verkreeg in 2011, Nederlands recht van toepassing werd. Het appartement in Marokko viel op de peildatum binnen de gemeenschap omdat de overdracht aan de broer van de vrouw pas na de peildatum was geregistreerd volgens Marokkaans recht. De vrouw moest daarom € 10.000 aan de man betalen. Daarnaast moest de man € 2.078 betalen aan de vrouw voor de auto die deel uitmaakte van de gemeenschap.
Verder werd bepaald dat de man zijn aandeel in de nalatenschap van zijn vader moest laten taxeren, waarna de waarde verdeeld zou worden. Partijen moesten elkaar inzicht geven in hun bankrekeningen en schulden per peildatum en afspraken maken over de verrekening daarvan. De rechtbank wees overige verzoeken af wegens onvoldoende bewijs of onduidelijkheid over de schulden. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en bevat een termijn voor het aanleveren van stukken en taxaties.