Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoeker
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
Rechtbank Den Haag
Verzoeker stelde beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 9 december 2021. Tijdens de procedure heeft de staatssecretaris de asielaanvraag alsnog ingewilligd bij besluit van 1 september 2022. Hierdoor heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten.
De rechtbank heeft de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding, maar hiervan is geen gebruik gemaakt. Op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de uitspraak zonder zitting gedaan.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris door het alsnog honoreren van de asielaanvraag geheel aan het beroep tegemoet is gekomen, waardoor het verzoek om proceskostenvergoeding kennelijk gegrond is. De proceskosten worden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op een punt voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 'licht', aangezien het beroep alleen betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van deze proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van proceskosten van €418,50 aan verzoeker na intrekking van het beroep wegens alsnog honorering van de asielaanvraag.