ECLI:NL:RBDHA:2023:16450

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2023
Publicatiedatum
2 november 2023
Zaaknummer
NL23.17795, NL23.17796 en NL23.17797
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoeken gezin uit Zuid-Afrika wegens onvoldoende bewijs reëel risico muti-killings

Eisers, een gezin uit Zuid-Afrika met twee kinderen, vroegen asiel aan in Nederland vanwege vrees voor geweld tegen witte mensen en hun dochter met rood haar die mogelijk slachtoffer zou kunnen worden van muti-killings, een traditionele vorm van moord. Verweerder wees de aanvragen af omdat de gestelde risico's niet geloofwaardig waren.

De rechtbank behandelde de beroepen en overwoog dat hoewel de identiteit en nationaliteit van eisers geloofwaardig waren, het risico op vervolging of ernstige schade vanwege huidskleur of haarkleur onvoldoende was onderbouwd. Het door eisers aangevoerde rapport over muti-killings betrof mensen met een zwarte huidskleur en was niet relevant voor hun dochter. Ook de brief van een orthopedagoog werd niet als objectief bewijs erkend.

Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder voldoende aandacht had besteed aan het belang van het kind zoals vereist in artikel 3 IVRK Pro. Eisers hadden niet voldaan aan de voorwaarde voor het gunnen van het voordeel van de twijfel, omdat hun verklaringen in strijd waren met beschikbare landeninformatie.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Eisers werd gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank wijst de beroepen van het gezin af wegens onvoldoende bewijs voor een reëel risico op muti-killings bij terugkeer naar Zuid-Afrika.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.17795, NL23.17796 en NL23.17797

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser 1] , eiser 1, V-nummer: [V-nr.]

[naam eiseres], eiseres, V-nummer: [V-nr.]
mede namens hun minderjarige kind
[naam kind 1], en
[naam kind 2], eiser 2, V-nummer: [V-nr.]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: F.M. van den Assem en S. Zuithoff).

Procesverloop

In drie afzonderlijke besluiten van 26 mei 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen.
Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft de beroepen op zitting behandeld op 19 oktober 2023. Eiser 1 en eiseres zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eiser 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Zuithoff.

Overwegingen

1. Eiser 1 en eiseres zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum] en hebben de Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Op 26 januari 2022 hebben zij samen met hun twee kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2] asiel aangevraagd in Nederland.
2. Aan hun asielaanvragen hebben eisers kort weergegeven het volgende ten grondslag gelegd. In 2021 was er in Zuid-Afrika een oproep op de televisie om mensen met een witte huidskleur te vermoorden en om hun huizen in brand te steken. Eisers vrezen daarom bij terugkeer problemen te krijgen vanwege hun witte huidskleur. Daarnaast vrezen eisers dat hun dochter niet veilig is omdat zij rood haar heeft. Eisers hebben verklaard dat zij het risico loopt om te worden vermoord in het kader van traditionele geneeswijzen (muti-killings).
3. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de door eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter niet geloofwaardig geacht dat eisers te vrezen hebben vanwege hun witte huidskleur of vanwege het rode haar van hun dochter.
4. Eisers voeren daartegen het volgende aan. De economische malaise in Zuid-Afrika neemt toe, waardoor steeds meer mensen zich wenden tot occulte vormen van hulp. Zo ook tot muti-killings van mensen met rood haar. De dochter begint zelfstandig te worden, waardoor het steeds lastiger wordt voor het gezin om haar daartegen te beschermen. Eisers beroepen zich hierbij op het rapport ‘COI query response. Black skinned people with red/blonde hair’ van EASO van 8 oktober 2018 en op een brief van de orthopedagoog van de dochter. Volgens eisers heeft verweerder te weinig waarde gehecht aan deze stukken en heeft verweerder zich onvoldoende in hun situatie verdiept. Daardoor is sprake van machtsmisbruik en schending van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
5. Verweerder heeft in het verweerschrift meegedeeld de bestreden besluiten te handhaven. Uit verschillende rapporten van het US Department of State blijkt dat het aantal muti-killings in Zuid-Afrika juist afneemt. Het door eisers overgelegde rapport van EASO is niet relevant omdat de dochter geen zwarte huidskleur heeft. De brief van de orthopedagoog is opgesteld aan de hand van de verklaringen van de dochter en is daarom niet objectief.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in Zuid-Afrika een reëel risico op ernstige schade lopen vanwege het rode haar van hun dochter. Verweerder heeft er in de bestreden besluiten onder verwijzing naar landeninformatie op kunnen wijzen dat het aantal muti-killings in Zuid-Afrika afneemt en bovendien ook relatief gezien weinig voorkomen. Eisers hebben de stelling dat het tegendeel waar is en dat specifiek mensen met rood haar hiervan (ongeacht hun huidskleur) slachtoffer worden niet onderbouwd. Ook de stelling dat dit lastig is omdat deze moorden niet apart worden geregistreerd, is niet onderbouwd. Zelfs als eisers hierin zouden moeten worden gevolgd, valt overigens nog niet in te zien waarom er geen bronnen zouden zijn van niet-gouvernementele organisaties. Het door eisers overgelegde rapport van EASO ziet specifiek op mensen met een zwarte huidskleur en is daarmee niet van toepassing op de dochter. De Nederlandse orthopedagoog van de dochter is niet deskundig ten aanzien van de veiligheidssituatie in Zuid-Afrika, zodat haar brief om die reden niet als voldoende onderbouwing kan worden aangemerkt.
7. In artikel 3 van Pro het IVRK is neergelegd dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Omdat deze norm niet specifiek is uitgewerkt, is deze maar beperkt rechtstreeks toepasbaar. Dat laat echter onverlet dat uit de bestreden besluiten duidelijk moet blijken dat verweerder aandacht heeft besteed aan de belangen van het kind. Dit is het geval, aangezien verweerder gemotiveerd is ingegaan op de gestelde vrees vanwege het rode haar van de dochter.
8. Ter zitting hebben eisers nog gesteld dat aan hen het voordeel van de twijfel had moeten worden gegund. Dit is echter alleen mogelijk als de verklaringen van de vreemdeling niet in strijd zijn met de beschikbare landeninformatie (artikel 31, zesde lid, van de Vw). Gelet op wat hiervoor is overwogen, is in dit geval aan deze voorwaarde niet voldaan.
9. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers dan ook terecht afgewezen. Van machtsmisbruik is daarom geen sprake.
10. De beroepen zijn ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.