ECLI:NL:RBDHA:2023:16492
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in Dublin-zaak over asielverblijfsvergunning Moldavië
Verzoekers, Moldavische asielzoekers, hadden een voorlopige voorziening gevraagd tegen besluiten van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid die hun asielaanvragen niet in behandeling nam omdat Duitsland verantwoordelijk werd gehouden voor de behandeling volgens de Dublin-verordening.
De rechtbank heeft op dezelfde dag uitspraak gedaan in de hoofdzaak waarin het beroep op deze besluiten werd behandeld. Hierdoor achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af.
De voorzieningenrechter deed uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
De zaak betrof drie verzoeken om voorlopige voorziening met zaaknummers NL23.30594, NL23.30596 en NL23.30598, waarbij de verzoekers ook namens hun minderjarige kind optraden.
De uitspraak werd openbaar gemaakt via een geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak op dezelfde dag is beslist.