Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoeker
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
Rechtbank Den Haag
Verzoeker stelde beroep in tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 29 januari 2022. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend, maar heeft op 2 september 2022 alsnog de asielaanvraag ingewilligd. Hierdoor trok verzoeker het beroep in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding, maar verweerder heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Op grond van artikel 8:54, eerste lid, Awb, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
De rechtbank oordeelt dat verweerder geheel aan het beroep tegemoet is gekomen door het besluit alsnog te nemen. Daarom wordt het verzoek om proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen. De proceskosten worden vastgesteld op €418,50, gebaseerd op een punt voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 'licht', aangezien het beroep alleen ziet op het niet-tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van deze proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van €418,50 aan proceskosten wegens het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.