ECLI:NL:RBDHA:2023:16566

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 oktober 2023
Publicatiedatum
3 november 2023
Zaaknummer
NL23.30644 en NL23.31186
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting

In deze bestuursrechtelijke zaak stond het beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000 centraal. De maatregel was opgelegd op 8 juli 2023 en de rechtbank had deze maatregel reeds eerder getoetst in een uitspraak van 24 juli 2023. Het huidige beroep richtte zich op de vraag of de maatregel vanaf 18 juli 2023 nog rechtmatig was, mede gelet op het vermeende ontbreken van zicht op uitzetting.

Eiser stelde dat sinds 2020 een verzoek tot afgifte van een Laissez Passer bij de Marokkaanse autoriteiten liep, maar dat er geen redelijke termijn was waarbinnen uitzetting kon plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat dit niet juist was, omdat het eerdere verzoek op 19 juli 2023 was afgesloten en een nieuwe aanvraag was ingediend en actief werd nagestreefd. De staatssecretaris had meerdere malen contact gezocht met de Marokkaanse autoriteiten, die aangaven dat de aanvraag nog in onderzoek was.

De rechtbank concludeerde dat het zicht op uitzetting niet ontbrak en dat de maatregel van bewaring rechtmatig voortduurde. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.30644 en NL23.31186

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2023 in de zaken tussen

[eiser] , eiser, v-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser (NL23.30644) tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 8 juli 2023.
2. Na het indienen van het beroep op 26 september 2023 heeft de staatssecretaris de rechtbank op 29 september 2023 in kennis gesteld van het feit dat een termijn van 75 dagen is verstreken zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep (NL23.31186).
3. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 24 juli 2023. [1]
4. De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
5. De rechtbank heeft het vooronderzoek op 3 oktober 2023 gesloten en bepaald dat de zaken niet op een zitting worden behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden. De rechtbank zal in beide zaken uitspraak doen.
7. De beroepen zijn ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
8. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 of bij de afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [2]
8.1.
Uit de uitspraak van 24 juli 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring vanaf het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 18 juli 2023) rechtmatig is.
Heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld?
9. Eiser voert aan dat hij meent dat er geen reëel zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn. Uit de stukken komt naar voren dat er als sinds 2020 bij de Marokkaanse vertegenwoordiging een verzoek om afgifte van een Laissez Passer (LP) loopt. Het onderzoek naar de afgifte loopt inmiddels meer dan drie jaar. Er zijn sindsdien geen nieuwe feiten en omstandigheden die raken aan de persoon van eiser waardoor gedacht zou kunnen worden dat er nu ineens schot in de zaak zit. Gelet hierop meent eiser dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is en dat de maatregel van bewaring niet langer gerechtvaardigd is.
9.1.
Het betoog van eiser slaagt niet. Eiser stelt ten onrechte dat er sinds 2020 bij de Marokkaanse autoriteiten een verzoek tot afgifte van een LP loopt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat dit verzoek, in overleg met de contactpersoon van het Marokkaanse consulaat, op 19 juli 2023 is afgesloten. Op 20 juli 2023 heeft de staatssecretaris op verzoek van de contactpersoon van het Marokkaanse consulaat een nieuwe aanvraag voor een LP aangeboden en op 25 augustus 2023 heeft hij telefonisch gerappelleerd. De Marokkaanse autoriteiten deelden hierop mee dat de aanvraag nog in onderzoek is. Verder heeft de staatssecretaris op 21 juli, 8 augustus, 1 september en 21 september 2023 schriftelijk gerappelleerd. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gesteld dat zicht op uitzetting ontbreekt.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van J. de Graaf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 24 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11375.
2.Dat staat in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.