Eiseressen, bestaande uit tien agrarische ondernemers, een gespecialiseerd bedrijf en een coöperatie, vorderden in kort geding dat de Staat de verlaging van subsidiebedragen voor monomestvergisting zou intrekken en de inschrijvingstermijn zou verlengen. De verlaging was gebaseerd op een erratum van het Planbureau voor de Leefomgeving dat fouten in de oorspronkelijke subsidiebedragen corrigeerde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat voor de tien agrarische ondernemers (eiseressen sub 1 tot en met 10) de bestuursrechter de aangewezen rechtsgang is, aangezien zij inmiddels subsidieaanvragen hebben ingediend die leiden tot een besluit waartegen bezwaar en beroep openstaan. Hierdoor kunnen zij dezelfde rechtsbescherming verkrijgen als met het kort geding. Er was geen spoedeisend belang om via de burgerlijke rechter een voorziening te treffen.
De twee overige eiseressen, een bedrijf gespecialiseerd in monomestvergisters en een coöperatie, werden niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan een concreet eigen belang. Hun belangen waren afgeleid van klanten en leden, wat onvoldoende is voor ontvankelijkheid.
De voorzieningenrechter wees het kort geding af en veroordeelde de eiseressen tot betaling van de proceskosten aan de Staat. Het vonnis werd gewezen door mr. H.J. Vetter en op 6 oktober 2023 in het openbaar uitgesproken.