Eiser, een Algerijnse staatsburger, diende een asielaanvraag in op grond van bedreigingen door overvallers en vervolging wegens dienstplichtontduiking. De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat hij het derde motief niet geloofwaardig achtte en concludeerde dat eiser geen reëel risico liep op ernstige schade bij terugkeer.
De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de Algerijnse autoriteiten hem geen bescherming konden bieden tegen de bedreigingen. Hoewel eiser melding had gemaakt bij de politie, was er geen bewijs dat de autoriteiten niet bereid of in staat waren tot bescherming. De stelling van corruptie binnen de politie werd onvoldoende onderbouwd.
Ten aanzien van de dienstplichtontduiking oordeelde de rechtbank dat eiser zijn vrees onvoldoende had onderbouwd. Eiser had verklaard slechts eenmaal te zijn opgeroepen en nooit problemen te hebben ondervonden. Het ambtsbericht en landeninformatie wezen erop dat dienstplichtontduiking niet automatisch leidt tot vervolging.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit zorgvuldig was genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.