ECLI:NL:RBDHA:2023:16692

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 september 2023
Publicatiedatum
7 november 2023
Zaaknummer
AWB - 22 _ 4758
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a Uitvoeringsregeling BPM 1992Richtlijn 2007/46/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM op basis van CO2-uitstoot volgens kentekenregister

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM die was opgelegd omdat hij uitging van een lagere CO2-uitstoot dan geregistreerd in het kentekenregister. De rechtbank oordeelt dat de CO2-uitstoot vastgesteld door de RDW volgens de WLTP-methode leidend is en dat eiser te laat was met het overleggen van bewijsstukken.

Eiser stelde dat de RDW abusievelijk een hogere CO2-uitstoot vermeldde en dat een andere rekenmethode (de herleidingsmethode) toegepast zou moeten worden. De rechtbank wijst dit af omdat de herleidingsmethode niet is toegestaan volgens de wet en de Europese regelgeving.

De rechtbank bevestigt dat artikel 6a van de Uitvoeringsregeling BPM 1992, dat de hiërarchie van bewijsmiddelen regelt, correct is toegepast en dat de naheffingsaanslag terecht is gebaseerd op de CO2-uitstoot van 186 gr/km volgens het kentekenregister. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de naheffingsaanslag BPM terecht is opgelegd op basis van de CO2-uitstoot uit het kentekenregister.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 22/4758

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

12 september 2023 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 12 juli 2022 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2023.
Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser heeft op aangifte een bedrag van € 821 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz B-klasse (de auto). In de aangifte is eiser uitgegaan van een CO2-uitstoot van de auto van 125 gr/km.
2. De auto is op 26 maart 2021 door de RDW gekeurd voor gebruik op de weg. Daarbij heeft de RDW de CO2-uitstoot vastgesteld op 186 gr/km WLTP en op 125 gr/km NEDC.
3. Verweerder heeft met dagtekening 10 december 2021 een naheffingsaanslag Bpm opgelegd aan eiser omdat eiser volgens hem is uitgegaan van een onjuiste CO2-uitstoot van 125 gr/km in plaats van 186 gr/km.
4. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil:
  • of verweerder is uitgegaan van de juiste WLTP-uitstoot; en
  • of de verschuldigde Bpm kan worden vastgesteld op basis van de zogenoemde herleidingsmethode.
Bewijsaanbod
5. Ter zitting heeft eiser aangeboden binnen twee weken stukken te overleggen waaruit blijkt dat de auto over een Europese typegoedkeuring beschikt. De rechtbank acht het bewijsaanbod tardief en heeft dit daarom afgewezen. Eiser had deze stukken gelet op de door hem ingenomen standpunten eerder kunnen en moeten overleggen.
CO2-uitstoot
6. Tussen partijen is niet in geschil dat voor het vaststellen van de CO2-uitstoot van de auto dient te worden uitgegaan van de uitstoot vastgesteld volgens de WLTP meetmethode.
7. Volgens eiser heeft de RDW de volgens de Scandinavische rekenmethode vastgestelde CO2-uitstoot abusievelijk vermeld als de WLTP uitstoot. Hierdoor wordt volgens eiser van een te hoge CO2-uitstoot uitgegaan en is daardoor de verschuldigde Bpm op een te hoog bedrag vastgesteld. Voorts betoogt eiser dat artikel 6a van de Uitvoeringsregeling Bpm 1992 (Uitvoeringsregeling) buiten toepassing dient te worden verklaard omdat dit artikel strijdig is met de in deze situatie van toepassing zijnde Europese regelgeving. Volgens eiser dient van een CO2-uitstoot van 141 gr/km WLTP te worden uitgegaan. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op een lijst met auto’s die volgens eiser gelijk zijn aan de auto. De auto’s op die lijst hebben een CO2-uitstoot van 141 gr/km WLTP.
8. Verweerder stelt dat de in het kentekenregister opgenomen CO2-uitstoot leidend is en dat hij derhalve terecht is uitgegaan van 186 gr/km. Daarnaast wijst verweerder erop dat hij navraag heeft gedaan bij de RDW en volgens de RDW de CO2-uitstoot 186 gr/km WLTP bedraagt en dat dit de waarde is die bij de keuring is vastgesteld.
9. In artikel 6a van de Uitvoeringsregeling is een vaste hiërarchie van bewijsmiddelen voorgeschreven op welke wijze voor de heffing van de Bpm de CO2-uitstoot moet worden vastgesteld. De voorschriften in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling zijn gebaseerd op Richtlijn 2007/46/EG van 5 september 2007. Daarin is de wijze van vaststelling van de CO2-uitstoot van auto’s op de Europese markt vastgelegd. Anders dan eiser betoogt is artikel 6a van de Uitvoeringsregeling wel van toepassing nu in dit artikel uitvoering wordt gegeven aan de van toepassing zijnde Europese regelgeving.
10. Volgens artikel 6a, eerste lid van de Uitvoeringsregeling dient er te worden uitgegaan van de CO2-uitstoot die staat vermeld in het kentekenregister. Aangezien de gegevens uit het kentekenregister leidend zijn is verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij het opleggen van de naheffingsaanslag terecht uitgegaan van een CO2-uitstoot van 186 gr/km.
Herleidingsmethode
11. De beroepsgronden van eiser met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet omdat de herleidingsmethode niet behoort tot de in de wet toegestane methodes om de vermindering van de Bpm te berekenen ter zake van de registratie van een geïmporteerde gebruikte auto. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van Hof Den Haag van 16 maart 2023 [1] en naar het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 2022. [2]
12. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag niet te hoog vastgesteld en is het beroep ongegrond verklaard.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 september 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).