Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM die was opgelegd omdat hij uitging van een lagere CO2-uitstoot dan geregistreerd in het kentekenregister. De rechtbank oordeelt dat de CO2-uitstoot vastgesteld door de RDW volgens de WLTP-methode leidend is en dat eiser te laat was met het overleggen van bewijsstukken.
Eiser stelde dat de RDW abusievelijk een hogere CO2-uitstoot vermeldde en dat een andere rekenmethode (de herleidingsmethode) toegepast zou moeten worden. De rechtbank wijst dit af omdat de herleidingsmethode niet is toegestaan volgens de wet en de Europese regelgeving.
De rechtbank bevestigt dat artikel 6a van de Uitvoeringsregeling BPM 1992, dat de hiërarchie van bewijsmiddelen regelt, correct is toegepast en dat de naheffingsaanslag terecht is gebaseerd op de CO2-uitstoot van 186 gr/km volgens het kentekenregister. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.