ECLI:NL:RBDHA:2023:16940

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 november 2023
Publicatiedatum
8 november 2023
Zaaknummer
NL23.31269
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • S. Ketelaars - Mast
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 16 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

De rechtbank Den Haag heeft op 8 november 2023 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin een Syrische asielzoeker bezwaar maakte tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De staatssecretaris had de aanvraag afgewezen omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling.

De eiser voerde aan dat hij een broer in Nederland heeft die hem kan ondersteunen, dat hij analfabeet is en hulp nodig heeft, en dat hij in Duitsland discriminatie en problemen met jongeren ondervindt. Ook stelde hij dat hij in Nederland meer sociale inbedding heeft en dat het Duitse beleid inzake gezinshereniging ongunstiger is.

De rechtbank oordeelde dat de eiser zijn afhankelijkheidsrelatie met zijn broer niet aannemelijk heeft gemaakt en onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de gestelde discriminatie in Duitsland. De Duitse autoriteiten hebben het verzoek om terugname geaccepteerd en waarborgen de behandeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris terecht heeft besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen en dat het beroep ongegrond is.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en de eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. Tevens is gewezen op de mogelijkheid van verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31269

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 29 september 2023 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
1.2.
Op het verzoek van eiser een voorlopige voorziening te treffen (geregistreerd onder het zaaknummer NL23.31270) wordt afzonderlijk beslist.

Totstandkoming van het besluit

2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Bondsrepubliek Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Bondsrepubliek Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten eiser
5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser meent dat de staatssecretaris zijn asielaanvraag op humanitaire gronden in behandeling had moeten nemen. Eiser heeft een broer in Nederland die hem kan ondersteunen bij het opbouwen van een nieuw bestaan in Nederland. Dit is belangrijk voor eiser omdat hij analfabeet is en hulp nodig heeft van iemand zoals zijn broer die hij blindelings kan vertrouwen. Daarnaast hebben ook buren en kennissen van eiser in het land van herkomst bescherming gevonden in Nederland. Eiser heeft hierdoor in Nederland meer sociale inbedding waardoor zijn integratie ook beter zou verlopen. Verder voert eiser aan dat hij niet terug kan naar Duitsland omdat hij daar op een discriminatoire manier wordt bejegend en hij een probleem had met een groep jongeren. Ook heeft Duitsland een ander, ongunstiger, beleid op het punt van gezinshereniging.
Overwegingen rechtbank
6. Uitgangspunt is dat de staatssecretaris ten opzichte van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft dit recent nog bevestigd in de uitspraak van 4 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3354). Dit is slechts anders indien eiser erin slaagt om aannemelijk te maken dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat asielzoekers een reëel risico zullen lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dan wel artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat hij na overdracht in Duitsland discriminatoire zal worden bejegend. Daarbij komt dat de Duitse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. Indien eiser meent dat Duitsland handelt in strijd met de Europese richtlijnen, kan hij hierover een klacht indienen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten eiser niet willen helpen of dat klagen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
6.1.
Voorts heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er tussen hem en zijn broer in Nederland sprake is van een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft de familierechtelijke band met zijn broer niet met stukken onderbouwd. Ook heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat hij (medische) zorg nodig heeft en dat zijn broer een zodanig unieke positie als zijn zorgverlener inneemt dat hij niet of zeer moeilijk door anderen te vervangen is.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de staatssecretaris in de door eiser aangevoerde omstandigheden redelijkerwijs ook geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. De niet met stukken onderbouwde verklaringen van eiser over dat hij in Duitsland discriminatoire is bejegend en dat hij problemen heeft met een groep jongeren aldaar zijn hiervoor onvoldoende. Ook eisers stelling over dat hij in Nederland meer sociale inbedding heeft dan in Duitsland maakt niet dat eisers overdracht naar Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Verder heeft de staatssecretaris in het bestreden besluit terecht gemotiveerd dat de Dublinverordening niet is bedoeld als middel om gezinshereniging te realiseren. Het gaat slechts om de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van
mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.