ECLI:NL:RBDHA:2023:16968

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 november 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
nl 23.31191
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:83 lid 3 AwbArt. 8:81 lid 4 AwbArt. 6:5 lid 1 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden

Verzoekster, van Iraakse nationaliteit, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 buiten behandeling te stellen. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoekschrift de gronden van het verzoek moet bevatten. Verzoekster had deze gronden niet vermeld. De rechtbank gaf haar meerdere malen de gelegenheid om dit te herstellen, maar zij deed dit niet en gaf ook geen reden voor het verzuim.

Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter C.H. de Groot en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31191

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster,

geboren op [geboortedatum],
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [vnummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

In het besluit van 29 september 2023 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) buiten behandeling gesteld.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:81, vierde lid, van de Awb) in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb in het verzoekschrift de gronden van het verzoek vermelden. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoekster heeft geen gronden vermeld in het verzoekschrift. De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 2 oktober 2023 verzocht om binnen twee weken dit verzuim te herstellen.
Verzoekster heeft binnen die termijn geen gronden ingediend.
De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 25 oktober 2023 verzoekster nogmaals in de gelegenheid gesteld de gronden in te dienen binnen een week na versturen van de brief. Er zijn geen gronden ingediend.
Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van B.A. van der Wiel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.