ECLI:NL:RBDHA:2023:16968
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Verzoekster, van Iraakse nationaliteit, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 buiten behandeling te stellen. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoekschrift de gronden van het verzoek moet bevatten. Verzoekster had deze gronden niet vermeld. De rechtbank gaf haar meerdere malen de gelegenheid om dit te herstellen, maar zij deed dit niet en gaf ook geen reden voor het verzuim.
Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter C.H. de Groot en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.