ECLI:NL:RBDHA:2023:16987

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 oktober 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
nL23.32298
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid bewaring en afwijzing schadevergoeding in vreemdelingenzaak

In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt dat de staatssecretaris had kunnen volstaan met een lichter middel zoals een meldplicht, en dat het onttrekkingsrisico onvoldoende is gemotiveerd.

De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat geen minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend was. Het onttrekkingsrisico is voldoende gemotiveerd en de enkele verklaring van eiser om mee te werken aan overdracht naar Duitsland vermindert dit risico niet. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die een lichter middel rechtvaardigen.

De ambtshalve toetsing door de rechtbank bevestigt dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de maatregel van bewaring is voldaan. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De uitspraak is gedaan door rechter Derksen en griffier El-Amrani en is openbaar bekendgemaakt op 27 oktober 2023. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.32298

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 10 oktober 2023, waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de eiser, mr. S. Toughza als waarnemer van de gemachtigde van eiser, beiden via een beeldverbinding, en de gemachtigde van de staatssecretaris.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris eiser in bewaring mocht stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris had niet hoeven volstaan met een lichter middel. De maatregel van bewaring is rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Had de staatssecretaris kunnen volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de staatssecretaris had kunnen volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser stelt dat de staatssecretaris een belangenafweging had moeten maken en het onttrekkingsrisico had moeten motiveren. Dit heeft de staatssecretaris ten onrechte niet gedaan. Niet valt in te zien dat niet kon worden volstaan met een meldplicht, aangezien eiser heeft aangegeven mee te willen werken met de overdracht naar Duitsland.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris stelt zich, gelet op de onbetwiste gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het onttrekkingsrisico bij het opleggen van een lichter middel in plaats van een inbewaringstelling is volgens de staatssecretaris te groot. De enkele verklaring van eiser dat hij wil meewerken aan zijn overdracht doet niet af aan het onttrekkingsrisico dat uit de gronden volgt. Verder is het opleggen van de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd door de staatssecretaris. In de maatregel weegt de staatssecretaris namelijk het risico bij het opleggen van een meldplicht af. Hiertoe stelt hij zich op het standpunt dat het lichter middel niet op weegt tegen de kans dat eiser bij het niet opleggen van de maatregel van bewaring, op andere gedachten komt en zich weer aan het toezicht onttrekt. Eiser voert verder geen omstandigheden aan die zouden moeten leiden tot het opleggen van een minder dwingende maatregel.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [1]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig was en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.