ECLI:NL:RBDHA:2023:17010

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
NL23.33211 en NL23.33233
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 8:57 AwbArt. 1:3 AwbArt. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen terugkeerbesluit, inreisverbod en maatregel van bewaring vreemdeling

De zaak betreft een vreemdeling met de Pakistaanse nationaliteit die beroep instelde tegen een terugkeerbesluit met inreisverbod en een maatregel van bewaring. De rechtbank stelt vast dat het eerdere terugkeerbesluit van 6 juli 2023 rechtsgeldig is en het nieuwe terugkeerbesluit van 1 september 2023 overbodig is, waardoor zij onbevoegd is het beroep daarop te behandelen.

Het beroep tegen het inreisverbod is niet-ontvankelijk verklaard omdat het buiten de wettelijke termijn van vier weken is ingesteld. De rechtbank oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is omdat het besluit tijdig aan eiser is uitgereikt en hij tijdens een gehoor op de hoogte is gesteld van het voornemen tot oplegging.

Ten aanzien van de maatregel van bewaring oordeelt de rechtbank dat de zware gronden die verweerder heeft aangevoerd feitelijk juist zijn en voldoende risico op onttrekking aan het toezicht aannemelijk maken. De rechtbank acht de bewaring noodzakelijk voor het verkrijgen van gegevens voor de asielprocedure en wijst het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.

Uitkomst: Beroep tegen terugkeerbesluit onbevoegd, beroep tegen inreisverbod niet-ontvankelijk, beroep tegen bewaring ongegrond, verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.33211 en NL23.33233

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Lorier).

Procesverloop

Bij besluit van 1 september 2023 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd, tevens inhoudende een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Verweerder heeft op 17 oktober 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw [1] opgelegd (bestreden besluit 2).
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet met instemming van partijen op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Pakistaanse nationaliteit.
Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod (NL23.33233)
2. De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat al eerder, namelijk op 6 juli 2023, aan eiser een terugkeerbesluit (zonder inreisverbod) is uitgevaardigd, dat bovendien in rechte vaststaat. De rechtbank ziet zich daarom allereerst gesteld voor de vraag of het bestreden terugkeerbesluit van 1 september 2023 onverplicht en ten overvloede is genomen. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend, nu eiser niet heeft gesteld, en ook niet is gebleken, dat hij na de uitreiking van dit eerdere terugkeerbesluit het grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten. Het bestreden besluit 1, voor zover dit het terugkeerbesluit betreft, roept dan ook geen rechtsgevolgen in het leven die niet al eerder waren ontstaan. Er is daarom in zoverre geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. [3] Dit betekent dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het daartegen gerichte beroep.
3. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het beroep tegen het bestreden besluit 1 voor zover dit het inreisverbod betreft, buiten de wettelijke beroepstermijn van vier weken is ingesteld. Desgevraagd heeft eiser de rechtbank meegedeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat het besluit nooit eerder correct aan hem is verstrekt. De rechtbank stelt echter vast dat het bestreden besluit 1 zelf vermeldt dat een afschrift daarvan onmiddellijk aan de vreemdeling is uitgereikt. Bovendien is eiser volgens het proces-verbaal van gehoor (M-110) van 1 september 2023, dat zich in het dossier bevindt, tijdens dat gehoor in kennis gesteld van het voornemen aan hem een inreisverbod op te leggen. Tegen die achtergrond is de enkele, niet gemotiveerde ontkenning dat het inreisverbod eerder dan 17 oktober 2023 aan eiser bekend is gemaakt, onvoldoende. Van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding is niet gebleken. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod, is daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep tegen de maatregel van bewaring (NL23.33211)
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Als zware gronden [4] is vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden [5] is vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist de zware gronden 3a, 3b en 3c, en stelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hieruit een risico op onttrekking of ontduiking blijkt. Bovendien was hij niet bekend met het besluit waaruit een verplichting blijkt om Nederland te verlaten. Daarnaast betwist eiser de lichte gronden. Tot slot had aan eiser een lichter middel moeten worden opgelegd, mede gezien zijn psychische problemen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de feitelijke juistheid van de gronden 3a en 3b niet heeft betwist. Bovendien heeft eiser geen gevolg gegeven aan zijn vertrekplicht die voortvloeide uit het terugkeerbesluit van 6 juli 2023, zodat ook de zware grond 3c feitelijk juist is. Verweerder neemt terecht aan dat eiser met dat besluit bekend was, nu dat volgens de tekst van het besluit aan eiser is uitgereikt en de enkele ontkenning van eiser onvoldoende is om van het tegendeel uit te gaan. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [6] kan verweerder hiermee volstaan om van een risico op onttrekking aan het toezicht te kunnen spreken. Nu er reeds voldoende zware gronden zijn die de maatregel van bewaring kunnen dragen, behoeft de betwisting van de lichte gronden geen bespreking.
7. Omdat een risico op onttrekking aan het toezicht kan worden aangenomen, is daarmee ook gegeven dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. [7] De maatregel is terecht op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd.
8. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom een lichter middel in het geval van eiser niet doeltreffend kan worden toegepast. Zo heeft eiser eerder de mogelijkheid gehad zelfstandig te vertrekken, maar heeft hij dit niet gedaan. Ook heeft verweerder er terecht op gewezen dat de psychische hulp die in het detentiecentrum geboden kan worden toereikend is en eiser, indien dat niet langer zo is, overgeplaatst kan worden naar een instelling waar hij verder geholpen kan worden.
9. Ook overigens is het de rechtbank niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
Ten aanzien van bestreden besluit 1:
- verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep is gericht tegen het terugkeerbesluit;
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het inreisverbod;
Ten aanzien van bestreden besluit 2:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak, voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
5.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
7.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:4011.