ECLI:NL:RBDHA:2023:17031

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 oktober 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
SGR 23_865
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Huisvestingsverordening Den Haag 2019Art. 2.1.2 Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019Art. 2.1.3 Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019Art. 2.1.6 Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019Art. 2.1.14 Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring wegens meerdere weigeringsgronden en geen schrijnende situatie

Eiseres diende een aanvraag in voor een urgentieverklaring bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, welke op 12 augustus 2022 werd afgewezen. Het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing werd bij besluit van 19 december 2022 eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank behandelde het beroep op 8 augustus 2023 en hield de zaak aan voor nadere stukken, maar deze leidden niet tot een ander oordeel.

Eiseres woont sinds 2021 met haar drie minderjarige kinderen bij haar moeder in een te kleine woning. Zij stelt dat haar kinderen door traumatische ervaringen extra behoefte hebben aan ruimte en privacy en dat zij zelf vanwege de thuissituatie niet kan starten met EMDR-therapie. Verweerder wees de aanvraag af op vijf algemene weigeringsgronden, waaronder het ontbreken van een zelfstandige woning, het niet kwalificeren van de situatie als urgent woonprobleem, het ontbreken van een behandeling voor psychische problemen, toerekenbaarheid van het woonprobleem aan eiseres en onvoldoende inschrijvingstermijn in de regio.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de beleidsvrijheid en beoordelingsruimte heeft benut bij het weigeren van de urgentieverklaring. De algemene weigeringsgronden zijn van toepassing en de situatie van eiseres is onvoldoende schrijnend om toepassing van de hardheidsclausule te rechtvaardigen. De psychische problematiek is niet voldoende gekoppeld aan de woonsituatie en de overgelegde stukken zijn niet actueel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/865

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.V. Paniagua),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: R. Kross).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een urgentieverklaring.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 12 augustus 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 december 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.
1.3
Ter zitting is de zaak aangehouden om eiseres in de gelegenheid te stellen nadere stukken ter beoordeling aan verweerder toe te zenden. Dit heeft niet tot een ander besluit geleid. Bij brief van 20 september 2023 is aan partijen gevraagd of zij een nadere zitting wilden. Omdat geen van partijen de rechtbank te kennen heeft gegeven dit nodig te achten, is er geen nadere zitting gehouden.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is in 2013 naar Syrië afgereisd en is in 2019 teruggekomen, waarna zij vijf maanden gedetineerd heeft gezeten in de PI in [plaats]. Eiseres woont sinds 13 juli 2021 samen met haar drie minderjarige kinderen bij haar moeder. Haar drie kinderen delen een slaapkamer, en eiseres zelf slaapt samen met haar moeder op een kamer. Verweerder heeft de aanvraag kort samengevat afgewezen op grond van vijf algemene weigeringsgronden:
 Eiseres heeft geen zelfstandige woning, en woont in bij een ander; [1]
 Er is geen sprake van een urgent woonprobleem. De problemen die ontstaan door inwoning, en ook de situatie dat de huidige woning te klein of te groot is voor het huishouden, kwalificeren niet als urgent woonprobleem. [2] Mogelijke dakloosheid geldt expliciet niet als urgent woonprobleem, omdat daarvoor andere voorzieningen bestaan waarop de betrokkene een beroep kan doen. [3]
 Er zijn andere oplossingen voor het woonprobleem. Zo is niet gebleken dat eiseres in behandeling is voor haar psychische problemen; [4]
 Het woonprobleem kan worden toegerekend aan eiseres, omdat zij geen woonruimte heeft geregeld voordat zij terugkwam naar Nederland; [5]
 Eiseres stond niet al tenminste twee jaar ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) van een van de gemeenten in de regio Haaglanden. [6]
Omdat er volgens verweerder geen sprake is van een dermate schrijnende situatie is ook op grond van de hardheidsclausule geen urgentieverklaring verleend. Het besluit is met de beslissing op bezwaar gehandhaafd.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Volgens eiseres is er wel degelijk sprake van een noodsituatie zodat haar een urgentieverklaring moet worden verleend. Haar kinderen hebben een traumatische ervaring meegemaakt, waardoor zij extra behoefte hebben aan ruimte en privacy. Zij kunnen zich in de huidige woning niet goed ontwikkelen. Eiseres zelf kan onder deze omstandigheden niet beginnen met EMDR-therapie, omdat zij daarvoor een stabiele thuissituatie moet hebben. Er is geen sprake van inwonen, daarvoor is de situatie niet stabiel genoeg. Eiseres verblijft bij haar moeder omdat zij anders dakloos zou zijn. Het was voor haar niet mogelijk om adequate woonruimte te vinden, omdat zij na aankomst in Nederland meteen gedetineerd werd en er veel onvoorziene omstandigheden een rol speelden bij het vertrek uit Syrië. De Beleidsregel [7] is in strijd met hoger recht en moet buiten toepassing worden verklaard, omdat daarin zoveel situaties worden omschreven dat er geen sociale omstandigheden (in de zin van artikel 4:7 van Pro de Verordening) over blijven die wel zouden kunnen leiden tot een urgent woonprobleem.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder blijft bij zijn standpunt dat er sprake is van vijf algemene weigeringsgronden zodat er aan eiseres geen urgentieverklaring hoeft worden verleend. Ook is niet gebleken dat de situatie van eiseres zo schrijnend is dat op grond van de hardheidsclausule alsnog een urgentieverklaring moet worden verleend. De nadere stukken die nadien eiseres zijn overgelegd leiden niet tot een ander oordeel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Vooropgesteld komt aan verweerder bij het toekennen van een urgentieverklaring beoordelingsruimte- en beleidsvrijheid toe. Daarom moet de rechtbank het bestreden besluit terughoudend toetsen. Bij het verlenen van urgentieverklaringen is verweerder gehouden aan het beoordelingssysteem zoals volgt uit de Huisvestingsverordening. Indien zich één van de algemene weigeringsgronden voordoet, wordt een urgentieverklaring door verweerder in beginsel geweigerd. Een inhoudelijke toets om te kijken of de woonsituatie van eiser door sociale of medische omstandigheden als levensbedreigend of ontwrichtend moet worden aangemerkt blijft in dat geval achterwege. Dit restrictieve beleid van verweerder is door de hoogste bestuursrechter [8] niet onredelijk geacht, vanwege het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het kleine aantal toewijsbare huurwoningen dat beschikbaar komt. [9] Dat het Beleid in strijd zou zijn met hoger recht, en derhalve buiten toepassing moet worden gelaten, volgt de rechtbank dan ook niet.
6. In het geval van eiseres heeft verweerder terecht geconcludeerd dat zich meerdere algemene weigeringsgronden voordoen, op grond waarvan eiseres niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. Feit is dat zij voor haar vertrek vanuit Syrië naar de gemeente Den Haag geen woonruimte heeft geregeld. Dat eiseres vanwege een hectisch vertrek uit Syrië in een bijzondere situatie zat, maakt dat niet anders. Ook is niet gebleken van een al gestarte behandeling voor haar psychische problemen, waarmee het woonprobleem mogelijk (gedeeltelijk) wordt oplost. Zoals verweerder terecht stelt is de mate van stabiliteit niet van belang voor de vraag of er sprake is van inwoning. Het gaat erom dat eiseres een deel van de woonruimte bewoond, dat door een ander huishouden als hoofdbewoner in gebruik wordt genomen. [10] Dat de woning te klein is, betekent niet dat er sprake is van een urgent woonprobleem. Verweerder heeft daarom terecht geconcludeerd dat vanwege de meerdere algemene weigeringsgronden die zich voordoen, aan eiser geen urgentieverklaring wordt verleend.
7. Een mogelijkheid om toch een urgentieverklaring te verkrijgen, is als er sprake is van een dermate schrijnende situatie dat op grond van de hardheidsclausule toch een urgentieverklaring moet worden verleend. Ook wat betreft het toepassen van de hardheidsclausule [11] komt aan verweerder beoordelingsruimte- en beleidsvrijheid toe. De rechtbank volgt verweerder in het oordeel dat uit de door eiseres (nader) aangevoerde omstandigheden onvoldoende is gebleken dat er sprake is van een zodanig schrijnende of uitzonderlijke situatie. Weliswaar wordt er in de door eiseres overgelegde stukken gesproken van psychische problematiek, zowel bij haarzelf als bij haar kinderen, maar niet is komen vast te staan dat de psychische problematiek te relateren is aan de huidige woning. Ook is niet vast komen te staan dat een verhuizing naar een zelfstandige woning noodzakelijk is. Dat een zelfstandige woning zeer wenselijk is, is onvoldoende. Daarbij komt dat de door eiseres overgelegde stukken grotendeels dateren van voor de aanvraag, zodat daaruit geen actueel beeld schetst van de huidige (psychische) problematiek. De rechtbank ziet dan ook niet in dat verweerder toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen urgentieverklaring krijgt.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 4:5, aanhef en onder l, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 (de Verordening), in samenhang met artikel 2.1.12 van de Beleidsregel urgentieverklaringen Den Haag 2019 (de Beleidsregel).
2.Artikel 4:5, aanhef en onder b, van de Verordening, in samenhang met artikel 2.1.2, onder c en f van de Beleidsregel.
3.Artikel 4:5, aanhef en onder b, van de Verordening, in samenhang met artikel 2.1.2, onder m, van de Beleidsregel.
4.Artikel 4:5, aanhef en onder c, van de Verordening, in samenhang met artikel 2.1.3, onder f, van de Beleidsregel.
5.Artikel 4:5, aanhef en onder f, van de Verordening, in samenhang met artikel 2.1.6, onder b, van de Beleidsregel.
6.Artikel 4:5, aanhef en onder n, van de Verordening, in samenhang met artikel 2.1.14 van de Beleidsregel.
7.Meer specifiek artikel 2.1.2 van de Beleidsregel.
8.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling, van 26 oktober 2022, (ECLI:NL:RVS:2022:3073).
10.Artikel 1:1 van Pro de Verordening.
11.Artikel 7:3 van Pro de Verordening.