De zaak betreft een beroep van eiseres tegen een beschikking van de gemeente Den Haag waarin de WOZ-waarde van een onroerende zaak, een bar/café gebouwd in 1926, is vastgesteld op €170.000 voor het belastingjaar 2022 met waardepeildatum 1 januari 2021.
Eiseres stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld en vorderde een lagere waarde van €136.000. Tevens voerde zij aan dat verweerder niet alle relevante stukken had overgelegd en dat er recht bestond op een hogere coronakorting en een leegstandsrisico.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde juist was. De door eiseres aangevoerde argumenten waren onvoldoende onderbouwd en de ontbrekende stukken waren niet relevant of niet verplicht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om een vergoeding voor immateriële schade af, omdat de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van het bezwaar niet was overschreden.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter S.E. Postema op 8 november 2023.