ECLI:NL:RBDHA:2023:17149

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 oktober 2023
Publicatiedatum
10 november 2023
Zaaknummer
SGR 21/4436
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep omgevingsvergunning

Eiser had bezwaar gemaakt tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van Westland. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank Den Haag. Tijdens de zitting op 20 maart 2023 werd de zaak aangehouden om partijen de gelegenheid te geven een minnelijke oplossing te zoeken.

Eiser trok vervolgens het beroep in met het verzoek om proceskostenvergoeding. Verweerder stelde zich op het standpunt dat geen sprake was van tegemoetkoming aan het beroep, omdat de verleende omgevingsvergunning slechts een beperkte berging betrof en niet de illegale overkapping, erfafscheiding, verharding of uitbreiding van de berging legaliseerde.

De rechtbank oordeelde dat de verleende vergunning niet gelijkstaat aan tegemoetkomen aan het beroep in de zin van artikel 8:75a Awb, omdat de geconstateerde overtredingen niet zijn gelegaliseerd en de last onder dwangsom niet is ingetrokken. Daarom wees de rechtbank het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkoming aan het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/4436

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. P. Hoogenraad),
en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.E. Breems).

Procesverloop

In het besluit van 31 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de aan hem op 4 december 2020 opgelegde last onder dwangsom ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Voorts was eisers zoon aanwezig. Namens verweerder is verschenen mr. [naam]. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden om partijen de gelegenheid te geven er onderling uit te komen.
Met de brief van 28 juni 2023 heeft eiser het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Met de brief van 6 juli 2023 heeft verweerder op het verzoek tot proceskostenveroordeling gereageerd.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan op grond van artikel 8:75a Awb bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. Van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, Awb is sprake als het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd. Van belang is dat er een relatie is tussen de gronden van het beroep en het (gewijzigde) besluit van het bestuursorgaan en of daarmee de wens van de indiener van het beroepschrift is gehonoreerd.
4. Met de last onder dwangsom van 4 december 2020 is eiser gelast de illegaal gebouwde overkapping, erfafscheiding en uitbreiding van zijn berging te verwijderen en verwijderd te houden. Ook is hij gelast om illegaal aangebrachte verharding te verwijderen en verwijderd te houden.
5. Op 20 juni 2023 heeft verweerder aan eiser een omgevingsvergunning voor het plaatsen/legaliseren van een schuur/blokhut verleend. Hierin heeft eiser aanleiding gezien zijn beroep tegen het bestreden besluit in te trekken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de proceskosten voor rekening van eiser dienen te blijven, omdat verweerder in zijn geheel niet tegemoet is gekomen aan het beroep van eiser. Met het besluit van 20 juni 2023 is een omgevingsvergunning voor het bouwen van een berging met een oppervlakte van drie bij twee meter verleend. Deze vergunde berging heeft dezelfde afmeting als de berging waarover eiser en de gemeente Westland eerder een gebruiksovereenkomst hebben gesloten. Het besluit van 20 juni 2023 houdt niet in dat verweerder niet langer bereid is handhavend op te treden tegen de bebouwing en verharding die eiser zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning en in afwijking van de gebruiksovereenkomst heeft gerealiseerd, aldus verweerder.
7. Verweerder is met het besluit van 20 juni 2023 deels noch geheel aan eiser tegemoet gekomen. De omgevingsvergunning van 20 juni 2023 ziet niet op de overkapping, de erfafscheiding of de aangebrachte verharding. In zijn reactie van 6 juli 2023 wijst verweerder erop dat het ook geen betrekking heeft op de uitbreiding van de berging. Daarmee zijn de door verweerder geconstateerde overtredingen niet gelegaliseerd. Met het besluit van 20 juni 2023 is de last onder dwangsom van 4 december 2020 ook niet ingetrokken.
8. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank zal het verzoek daarom als kennelijk ongegrond afwijzen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.