ECLI:NL:RBDHA:2023:17196

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2023
Publicatiedatum
10 november 2023
Zaaknummer
NL 23.11850
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting in vreemdelingenzaak

Verzoekster, van Indonesische nationaliteit, had een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking 'familie en gezin' ingediend, die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 4 april 2023 werd afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht bij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening zodat haar uitzetting zou worden opgeschort totdat op het bezwaar zou zijn beslist.

De Staatssecretaris stelde zich niet te verzetten tegen de toewijzing van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen beletselen waren om het verzoek toe te wijzen, mede gelet op de spoedeisendheid en de belangen van verzoekster. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van € 837,- voor de rechtsbijstand.

De voorzieningenrechter bepaalde dat de Staatssecretaris zich moet onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting van verzoekster totdat op het bezwaar is beslist. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen waardoor de uitzetting van verzoekster wordt opgeschort totdat op het bezwaar is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.11850

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

geboren op [geboortedatum]
van Indonesische nationaliteit,
V-nummer: [vnummer]
(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Inleiding

In het besluit van 4 april 2023 (primaire besluit) heeft verweerder verzoeksters aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘familie en gezin’ afgewezen.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij verzoekschrift van 18 april 2023 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het bezwaar is beslist.
Bij brief van 26 september 2023 heeft verweerder de rechtbank bericht zich niet te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorziening.

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Nu verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorziening en de voorzieningenrechter ook overigens geen beletselen ziet om deze toe te wijzen, zal worden beslist als hierna aangegeven.
Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten van deze procedure. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit Proceskosten bestuursrecht voor de door de derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 837,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek toe;
  • gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van verzoekster en van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het bezwaar is beslist;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 837-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van B.A. van der Wiel griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.