ECLI:NL:RBDHA:2023:17285
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij beëindiging en afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster heeft bijstand ontvangen als alleenstaande ouder, maar het college heeft haar uitkering ingetrokken en beëindigd omdat zij niet had gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [naam 2], die de vader is van haar kinderen. Dit werd vastgesteld na onderzoek door de sociale recherche, waaronder huisbezoeken, waarnemingen en bankgegevens.
Verzoekster heeft een nieuwe aanvraag om bijstand gedaan, die eveneens werd afgewezen omdat zij niet kon aantonen dat haar woonsituatie was gewijzigd. De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege de lage inkomsten en de zorg voor vier minderjarige kinderen, maar dat de gronden voor intrekking en afwijzing terecht zijn vastgesteld.
De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekster haar inlichtingenplicht heeft geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding. De waarnemingen en bankgegevens ondersteunen dit. Het beroep op discriminatie wordt verworpen omdat het onderzoek is gestart naar aanleiding van meldingen en niet op grond van afkomst.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om de besluiten te schorsen en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Ook wordt geen proceskostenveroordeling toegekend. De uitspraak bindt niet in een bodemprocedure.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking, beëindiging en afwijzing van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.