ECLI:NL:RBDHA:2023:17294
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken gronden bij weigering verblijfsvergunning
Verzoeker heeft bij besluit van 3 juni 2022 een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke is afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit primaire besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
Bij besluit van 2 augustus 2022 verklaarde verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk. Verzoeker diende een verzoekschrift in voor een voorlopige voorziening, maar dit verzoekschrift bevatte geen gronden waarom de voorziening moest worden toegekend. De voorzieningenrechter heeft verzoeker per aangetekende brief verzocht binnen twee weken alsnog gronden in te dienen, waarop geen reactie volgde.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is wegens het ontbreken van gronden en heeft het verzoek om een voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.