ECLI:NL:RBDHA:2023:17308
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander niet onrechtmatig
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn tijdelijke bescherming als facultatieve groep onder Richtlijn 2001/55/EG te beëindigen per 4 september 2023.
De rechtbank overwoog dat de staatssecretaris bevoegd is deze bescherming te beëindigen en dat dit niet in strijd is met het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, mede gelet op eerdere uitspraken van de meervoudige kamer. Eiser had geen ondubbelzinnige toezegging ontvangen die een gerechtvaardigde verwachting kon rechtvaardigen.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde eveneens. De rechtbank vond dat het besluit passend en noodzakelijk is om de opvangproblematiek en misbruik van tijdelijke bescherming tegen te gaan. De belangen van eiser waren onvoldoende geconcretiseerd om te spreken van een onevenredige inbreuk.
De rechtbank wees erop dat eiser tijdens een eventuele asielprocedure opvang en werkmogelijkheden behoudt en dat het continueren van bestaanszekerheid niet tot het doel van de Richtlijn behoort.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard.