ECLI:NL:RBDHA:2023:17423

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 oktober 2023
Publicatiedatum
14 november 2023
Zaaknummer
SGR 23/4371
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens gebrek aan spoedeisend belang en ongeschiktheid schadevergoeding als voorlopige maatregel

Verzoeker heeft bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een verzoek tot schadevergoeding van €250.000 ingediend, dat op 23 juni 2023 is afgewezen. Vervolgens heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd tot betaling van €2.000.000. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 oktober 2023 behandeld.

De voorzieningenrechter heeft verzoeker vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Uit de overwegingen blijkt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft gesteld; hij gaf aan rustig de tijd te willen nemen. Zelfs als er sprake zou zijn van spoedeisendheid, kan een verzoek om schadevergoeding niet leiden tot een voorlopige voorziening omdat een schadevergoeding geen voorlopige maatregel is en bewijslevering in deze procedure niet aan de orde is.

Op de zitting heeft verzoeker toegegeven geen bezwaar te hebben gemaakt tegen een besluit uit 2016 en geen behoefte te hebben aan herbeoordeling van arbeidsvermogen of schuldhulpverlening. Verzoeker gaf aan dat hij zijn voormalige bewindvoerders moet benaderen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en ongeschiktheid van schadevergoeding als voorlopige maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/4371

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 oktober 2023 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: drs. P.F.G. Hermans).

Procesverloop

Verzoeker heeft bij verweerder verzocht om een schadevergoeding van € 250.000,-. In het besluit van 23 juni 2023 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ziet op het veroordelen van verweerder tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.000.000,-.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoeker en verweerder hebben aanvullende stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoeker en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan ten aanzien van het betalen van griffierecht in deze procedure. De rechtbank stelt verzoeker in deze procedure vrij van het betalen van griffierecht.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Verzoeker heeft als argument voor het treffen van de voorlopige voorziening aangegeven: “Graag rustig er de tijd voor nemen”. De voorzieningenrechter constateert daarom dat er geen spoedeisend belang is.
3. Ten overvloede zal de voorzieningenrechter het verzoek bespreken alsof er wel sprake zou zijn van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter overweegt dat een verzoek om schadevergoeding niet kan leiden tot het toewijzen van een verzoek om een voorlopige voorziening, omdat het toekennen van een schadevergoeding geen voorlopige maatregel kan zijn, terwijl in een procedure als deze ook geen plaats is voor het leveren van bewijs door verzoeker. Overigens is het de voorzieningenrechter in het geheel niet gebleken dat er sprake zou kunnen zijn van schade voor het verzochte bedrag.
4. Op de zitting is de situatie van verzoeker besproken en daarbij is ook het besluit van 2 mei 2016 aan de orde gekomen. Besproken is dat uit het dossier blijkt dat tegen dat besluit geen bezwaar is gemaakt en op de zitting heeft verzoeker dat ook toegegeven. Op de zitting is ook besproken of het verzoek om een voorlopige voorziening een aanvraag om herbeoordeling van het arbeidsvermogen zou kunnen zijn. Verzoeker heeft verteld dat hij denkt dat hij op dit moment arbeidsvermogen heeft, omdat hij – naar eigen zeggen – weer volledig kan werken. Verzoeker heeft aangegeven dat hij geen behoefte heeft aan een herbeoordeling en ook niet aan schuldhulpverlening. Uiteindelijk heeft verzoeker op de zitting gezegd dat hij niet bij verweerder of de rechtbank moet zijn, maar bij zijn voormalige bewindvoerders.
5. Uit het voorgaande volgt dat de voorzieningenrechter het verzoek afwijst.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.