ECLI:NL:RBDHA:2023:17448

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 november 2023
Publicatiedatum
15 november 2023
Zaaknummer
NL23.29996
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening België

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 10 juli 2023 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser op 3 januari 2023 al een asielaanvraag in België had ingediend. België werd daarom verantwoordelijk geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet op België van toepassing zou zijn vanwege zijn kwetsbare medische situatie en het risico op dakloosheid in België. Tevens stelde hij dat zijn aanvraag in België als opvolgende aanvraag zou worden behandeld, waardoor hij geen opvang zou ontvangen. Daarnaast stelde hij dat verweerder de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich had moeten trekken vanwege zijn medische situatie en familiebanden in Nederland.

De rechtbank oordeelde dat België verantwoordelijk blijft voor de aanvraag, gelet op de acceptatie van het terugnameverzoek door België en het feit dat de aanvraag in België als eerste aanvraag wordt behandeld. De rechtbank ging mee in de stelling van verweerder dat België de eiser als kwetsbare vreemdeling zal erkennen en opvang zal bieden, ondersteund door brieven van Belgische autoriteiten. Ook indien eiser niet als kwetsbare vreemdeling wordt aangemerkt, is er toegang tot basisvoorzieningen. De persoonlijke ervaringen van eiser in België konden dit oordeel niet veranderen.

De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht geen toepassing gaf aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening en dat de aanwezigheid van familie in Nederland geen bijzondere omstandigheid vormt die overdracht aan België zou verhinderen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.29996

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 2 november 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987 en de Syrische nationaliteit te hebben. Hij heeft op 10 juli 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 3 januari 2023 een asielaanvraag in België heeft ingediend. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van België verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. [2] De Belgische autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd.
3. Eiser voert aan dat ten aanzien van België niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, nu eiser mogelijk in België op straat zal moeten leven. Eiser heeft medische problematiek, maar het is niet zeker dat hij door de Belgische autoriteiten als kwetsbare vreemdeling zal worden aangemerkt. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 12 oktober 2023 [3] voert eiser aan dat zijn asielaanvraag in België als een opvolgende aanvraag worden behandeld en dat hij daarom, ook in het geval dat hij als kwetsbare vreemdeling wordt aangemerkt, geen opvang zal krijgen. Eiser voert verder aan dat verweerder de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening aan zich dient te trekken. In dat kader is niet alleen de medische situatie van eiser van belang, maar ook de omstandigheid dat eiser familie in Nederland heeft.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat België in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
5. Het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat België zijn verdragsverplichtingen zal nakomen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daarvan in zijn geval niet kan worden uitgegaan. Eiser is daarin niet geslaagd.
6. Eiser wordt allereerst niet gevolgd in zijn stelling dat zijn asielaanvraag in België zal worden aangemerkt als een opvolgende asielaanvraag. De Belgische autoriteiten hebben het terugnameverzoek op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening geaccepteerd. Dit betekent dat de asielaanvraag die eiser eerder heeft ingediend in België nog in behandeling is. De rechtbank leidt hieruit af dat eisers asielaanvraag zal worden behandeld als een eerste asielaanvraag. Gelet hierop slaagt het beroep op de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 12 oktober 2023 ook niet.
7. In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar brieven van de Belgische autoriteiten van 9 en 28 maart 2023, waarin is vermeld dat kwetsbare personen, waaronder mensen met een handicap, na registratie van hun asielaanvraag onmiddellijk een opvangplek krijgen toegewezen. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiser door de Belgische autoriteiten gezien zal worden als kwetsbaar gelet op zijn medische problematiek. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat eiser te maken krijgt met problemen bij het verkrijgen van opvang.
8. Ook echter in het geval dat eiser door de Belgische autoriteiten niet als een kwetsbare vreemdeling zal worden aangemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser bij overdracht aan België in een toestand terecht zal komen van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt te voorzien in zijn meest elementaire behoeftes. Uit de door verweerder overgelegde brief van 6 oktober 2023 aan de Afdeling [4] volgt namelijk dat eiser in dat geval wel te allen tijde toegang krijgt tot basisvoorzieningen, waaronder medische zorg en nood- of daklozenopvang.
9. De verklaringen van eiser over zijn persoonlijke ervaringen in België vormen geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft immers tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat hij eerder in België opvang en medische zorg heeft gekregen. Voor zover eiser heeft verklaard dat hij enige tijd geen opvang heeft gekregen, wordt overwogen dat niet is gebleken dat eiser zich hierover heeft beklaagd bij de (hogere) Belgische autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Belgische autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat klagen bij voorbaat zinloos is.
10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in de medische situatie van eiser en de toegang tot opvang in België geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Ook de omstandigheid dat in Nederland een nicht van eiser verblijft, heeft verweerder niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid die een overdracht aan België onevenredig hard zou maken.
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.