ECLI:NL:RBDHA:2023:17460
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk na intrekking bodemprocedure en toewijzing proceskostenveroordeling
Verzoeker had een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'familie en gezin' ingediend, die door verweerder werd afgewezen. Na bezwaar en beroep werd het bezwaar ongegrond verklaard, maar verweerder trok het bestreden besluit in en verleende uiteindelijk een verblijfsvergunning op humanitaire gronden.
Verzoeker trok daarop het beroep in, maar handhaafde het verzoek om een voorlopige voorziening en vroeg om een proceskostenvergoeding. De voorzieningenrechter oordeelde dat door de intrekking van het beroep de vereiste connexiteit ontbrak, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk was.
Ten aanzien van de proceskostenveroordeling stelde de rechter vast dat verweerder reeds een vergoeding had aangeboden van één punt voor de voorlopige voorziening, wat overeenkomt met €837,-. De voorzieningenrechter kende dit bedrag toe en wees een hogere vergoeding af. Verzoeker was vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht, zodat terugbetaling daarvan niet werd gelast.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard en proceskostenveroordeling van €837,- toegewezen.