Eiser, een Nigeriaanse vreemdeling, werd op 31 oktober 2023 de maatregel van bewaring opgelegd wegens het risico op onttrekking aan de Nederlandse autoriteiten. Hij stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast omdat hij niet op de hoogte was van zijn vertrekplicht en dat hij altijd traceerbaar was geweest in een asielzoekerscentrum.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat een lichter middel niet effectief was gebleken, mede omdat eiser zich structureel niet beschikbaar had gesteld voor vertrekgesprekken en geen actie had ondernomen om zijn overdracht aan Duitse autoriteiten mogelijk te maken. De stelling van eiser dat hij dacht nog 28 dagen te hebben om te vertrekken, werd niet aannemelijk geacht.
De gronden voor de maatregel van bewaring werden als feitelijk juist en voldoende toegelicht beoordeeld. Ambtshalve toetsing leidde niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.